Bestemmingen

Nothing To See Here

Zaterdag 23 april

Van John O’Groats naar Land’s End

Godiva was waarschijnlijk de eerste die Coventry op de wereldkaart zette.

Lady Godiva. Niet de pralines. Zij leefde zo’n duizend jaar geleden, was beeldschoon en kuis (wat niet zo vaak samen voorkwam. Toen, hé.) en was getrouwd met Leofric, graaf van Mercia en Heer van Coventry. Een ‘beuzak’ van een gast (zijn naam alléén al!), die om de haverklap de belastingen in Coventry verhoogde. Dat was tegen het sierlijke, maar zere been van Godiva die hem telkens probeerde te overtuigen om het niet te doen, meer nog: om de taksen te verlagen. Op een avond gaf hij toe, voor de grap. Hij zou de belastingen verlagen als zij eens naakt te paard door de stad zou rijden.

Je raadt het al: ze deed het toch wel zeker. Coventry, nu een stad in de West Midlands met iets minder dan vierhonderdduizend inwoners, was toen gelukkig nog een flink stuk kleiner. Maar geen nood: de hele bevolking voelde met haar mee; alle inwoners bleven binnen en trokken de overgordijnen dicht.

Was er toch wel één idioot zeker, die een gat in zijn gordijn knipte om naar Godiva te kunnen gluren. Een zekere Tom. Een kleermaker, dan nog. Niet dat ik iets tegen kleermakers heb. Maar zeg me nu eens eerlijk: wat heeft een kleermaker hieraan? Mocht Godiva gekleed geweest zijn, dan zou ik nog zeggen: ja, hij keek uit interesse voor snit en naad. Maar naakt? Hij werd er gelukkig goed voor gestraft: sinds die dag noemt men hem Peeping Tom (de ‘voyeur’) en daarbij is hij ook op slag blind geworden. Dikke bult. Ik kon het niet natrekken, maar het zou me niet verwonderen dat hij nadien ook nog heel wat klanten verloor.

Godiva kreeg terecht haar standbeeld in de stad

Maar de naam Coventry zou nog vaker in de geschiedenisboeken opduiken. Tijdens WOI was het een veilige thuishaven voor honderden en honderden Belgische vluchtelingen die door de inwoners zonder verpinken werden opgevangen. Op een gedenkplaat in St Mary’s Guildhall spreken de Belgen hiervoor duidelijk hun dank uit aan de bevolking van Coventry. In WOII werd de stad zo goed als helemaal verwoest. De vernielde kathedraal ligt er nog altijd bij als net na de aanval. Een bijzonder stil monument. Om het leed van Coventry te begrijpen moet je weten dat de stad jumeleerde met Dresden. En dat het industriële Coventry een doelwit voor de vijand was, valt te begrijpen: daar werden wapens geproduceerd en… auto’s.

De tweede helft van de negentiende eeuw vormde Coventry om tot een ware autostad: hier stonden de wiegjes van – om er maar een paar te noemen – Swift, Riley, Hillman en Daimler. In het Coventry Transport Museum pronkt dan ook (tussen een eindeloze rij topstukken uit de auto-, motorfiets- en fietsenwereld) een prachtige Daimler uit 1890.

We liepen daar toevallig Damien Kimberley tegen het lijf, archivaris van de stad, die ons verhaal een andere kant zou opsturen. In het Herbert Art Gallery & Museum, waar hij zijn kantoor heeft, duiken we mee in oude boeken en kranten. Een van zijn prachtexemplaren: het eerste nummer van het eerste automagazine in de UK: The Autocar van 2 november 1895, eerste jaargang nummer één, een uitgave van hoofdredacteur Henry Sturmey.

Henry Sturmey, de fietser

Henry Sturmey, geboren in 1857, was gefascineerd door fietsen. Toen hij twintig was (in de glorietijd van de opkomende fiets) publiceerde hij zijn ‘Indispensable Bicyclist’s Handbook’. In één maand tijd uitverkocht. In 1879 startte hij de ‘Bicycle Touring Club’, die vandaag nog steeds bestaat onder de naam ‘Cyclists Touring Club’. Maar de naam Henry Sturmey zal voor altijd verbonden blijven aan zijn grootste uitvinding: de Sturmey-Archer versnellingsnaven voor fietsen. De fiets wordt door dat alles zo populair dat zelfs fietstochten van Land’s End in Cornwall naar John O’Groats in Schotland werden georganiseerd, duizend mijl.

En toen verscheen de auto.

Sturmey pikte daar gretig op in, startte zijn blad ‘The Autocar’ en zocht naar elke marketingtruc om dit nieuwe vehikel in ‘the picture’ te zetten. Waarom niet een autorit van Land’s End naar John O’Groats?

Goed idee, dacht hij.

En dat idee brengt ons nu duizend kilometer naar het noorden van Coventry en terug in de tijd naar woensdag 29 september 1897, naar de havenstad Wick, aan de noordoosthoek van Schotland. Wick was ooit een van de grootste haringhavens van Europa, met een ontelbare vissersvloot. Sinds 1826 is er ook een whiskydistilleerderij, Pulteney, en wat voor een! Toch bepaalde de wet dat Wick alcoholvrij moest blijven. De gestookte alcohol was enkel bedoeld voor de vissers op de ruige zee. Dat gebod werd pas in 1946 afgevoerd. Niet dat Wick er dan vrolijker op geworden is. Het is een rustig stadje waar waarschijnlijk nooit iets gebeurt.

De trein naar Wick

Wij staan – 29 september 1897 – aan het stationnetje van Wick en wachten op de eerste trein uit Inverness. Er rijden twee treinen per dag. De onze stopt hier zeker, want dit is het eindstation van de ‘Sutherland and Caithness Railway’. Vandaag heeft de trein een heel speciale vracht aan boord, een technisch wonder, een (in Wick) nog nooit geziene ‘autocar’, de achtste Daimler ooit gebouwd in Coventry. Aan deze ‘wagen zonder paard’ hangt een prijskaartje van niet minder dan 870 pond. Volgens de ‘Purchasing Power Calculator’ komt dat ongeveer overeen met 1,2 miljoen euro vandaag.

Niet te verwonderen dat Daimler ook een technieker meestuurde: Richard Ashley. Hij was verantwoordelijk voor de auto gedurende de hele hobbelige treinreis en zou, eenmaal ter plaatse, alle vijzen en moeren die onderweg loskwamen weer aandraaien.

Ook Henry Sturmey wacht hem op. Want dit zou de start worden van zijn memorabele autorit.

De Daimler werd veilig geparkeerd in de stallen van het nabije Station Hotel en dat veroorzaakte een ware volkstoeloop (Wick telde toen achtduizend inwoners). Om iedereen gerust te stellen deelde Sturmey voorgedrukte kaartjes uit waaruit men kon afleiden dat er geen gevaar dreigde. Zo’n kaartje vermeldde onder andere: ‘Dit is een autocar. Sommigen noemen het een motor-car. Dit werkt met petroleum. Dit kan niet ontploffen, er is geen stoomketel in verwerkt. Deze autocar kan zeker twintig kilometer per uur rijden. Maar kan, op volle snelheid, binnen de drie meter stoppen. Dit is geen recordpoging, wij zijn toeristen…’

Zestien kilometer per uur

In het stadsarchief van Coventry vonden we ook ‘The Northern Daily Mail’ van donderdag 21 oktober 1897. Op pagina één brengt de krant een triomfantelijk stukje: ‘Mr Henry Sturmey, uit Coventry, vervolledigde dinsdag laatst zijn reis uit John O’Groats naar Land’s End met een auto-car. De auto, uitgerust met een 4pk-motor, vervoerde niet enkel Mr Sturmey (95 kilogram) en zijn technieker (70 kilogram) maar ook nog nagenoeg honderd kilogram bagage, olie, enz. Zonder problemen… De langste dagrit was 140 kilometer. Zijn gemiddelde snelheid over de hele reis bedroeg zestien kilometer per uur…’ Sturmey hield ook een dagboek bij. Daaruit bleek dat hij zijn hele tocht plande aan de hand van een gids voor… fietsers.

Sinds 1870 voelen de Britten (en ook veel buitenlanders) nog steeds een ultieme drang om van Land’s End naar John O’Groats te stappen, te lopen, te kruipen, te huppelen… maar vooral te fietsen.

Die 1.500 kilometer lijken zelfs voor golfspelers die onderweg een balletje slaan niet angstaanjagend.

Mocht je ooit ook de neiging hebben om zoiets te doen, neem dan mijn goede raad aan: doe het met de auto. Als de fiets je toch meer ligt, oké, maar doe het niet zoals Sturmey, van noord naar zuid! Hoe mooi die tocht ook is. Doe het andersom. Ik spreek uit ondervinding.

Niet dat ik die rotafstand ooit getrapt heb, maar uit mijn honderden reizen door de UK heb ik veel geleerd. Neem het gerust van mij aan: van zuid naar noord heb je meestal de wind vanachter.

Tekst: Fernand Dacquin, senior writer Travel Magazine

Beelden: archief FD

 

 


 

Zaterdag 17 april

De wereldreizen van Sankey Aluma

“De weg is ‘a little bumpy’!” had de dame van Hampden Estate me aan de telefoon verwittigd.

Jamaicanen, een volk dat regen ‘liquid sunshine’ noemt, zit niet om een eufemisme verlegen. Zodra we, net buiten Montego Bay, de hoofdweg verlaten moeten we op een verkreukelde asfaltweg slalommen tussen diepe putten. Na een kwartier muteert de weg tot een parcours dat in elke off-road-catalogus-voor-beginnelingen mooi zou staan. Het wordt tropisch groener rondom ons en als we, bij een bordje ‘RUM TOURS’, het zijwegje nemen verandert de weg plots in een smalle, statige dreef met aan weerszijden een eindeloze rij eeuwenoude koningspalmen: Hampden Estate.

Meteen bij het binnenrijden valt de statige planterswoning op, midden een tropische tuin. ‘1753’ staat nog duidelijk op de paal bij het hek. En net buiten de omheining zien we een klein, ommuurd familiekerkhof met een achttal hoge grafstenen. Het grootste zerk is leeg, weet de gids te vertellen. ‘Archibald Sterling’ staat in de plaat gebeiteld. Rond 1750 kocht hij hier, midden de fotogenieke ‘Queen of Spain Valley’, 1.500 ha grond om een suikerrietplantage aan te leggen. Vijfentwintig jaar later draaide er ook een rumstokerij volop. Toen hij in 1783 overleed bracht men hem, volgens zijn laatste wens naar zijn vaderland, Schotland, terug. Meer dan 250 jaar later draait diezelfde distilleerderij nog op volle toeren.

Rum en stenen

We zijn niet de enigen die de distilleerderij willen zien en de rum willen proeven. Het is behoorlijk heet die middag en de jonge dame, die ons zal overtuigen hoe uniek en lekker Hampden Rum wel is, liet ons plaats nemen op een met bakstenen gevloerd terras, onder een enorm gebladerte. Terwijl de dame het hele distilleerproces uit de doeken doet, staar ik half-luisterend naar de twee bakstenen naast mijn linkervoet.

De legendarische tand des tijds heeft ze serieus aangepakt, maar op een ervan staat nog heel duidelijk: Sankey Aluma.

De jonge dame was nog maar bij het fermenteren aangekomen, dus dwaalde ik verder af.

‘Zou die Sankey, wie dat ook mocht zijn, die steen misschien gesponsord hebben?’ dacht ik. Zou kunnen, hé, Je ziet het tegenwoordig overal waar ze aan crowdfunding doen omdat ze er anders niet onderuit komen.

Nog voor ik realiseerde dat die steen misschien wel een eeuw oud was en crowdfunding toen nog niet bestond, merkte ik dat ook op veel andere stenen rond me ‘Sankey Aluma’ stond.

Toen de dame vooraan uiteindelijk stilviel en ons uitnodigde om een rum te proeven, vroeg ik aan de onbekende naast me of hij misschien wist wie of wat Sankey Aluma was.

Hij kwam uit Connecticut, zei hij. En wist enkel te melden dat ik, als ik daar bleef staan, de proeverij zou missen. Sankey Aluma schoof op een zijspoor.

I get my kicks out of bricks!

Maanden later vond ik toevallig in een Schotse krant de verrassende kop: ‘Sankey Bricks found in the Philippines’. Het artikel bracht me naadloos bij ‘Scotland’s Brick and Tile Manufacturing Industry’ die trots het motto voeren: I get my kicks out of bricks!

Maar ik werd er niet veel wijzer van. We moeten zeker teruggaan naar het begin van de twintigste eeuw en komen terecht bij een zekere J H Sankey & Son, Essex Wharf, Canning Town, London. Die zou in Schotse steenbakkerijen de fameuze Sankey Aluma laten produceren. Volgens kenners zou dat in de Craigend Brickworks Ltd gebeurd zijn. Die startte in 1938 in de buurt van Falkirk, maar zou er zeven jaar later al de brui aan gegeven hebben.

Wel het bewijs dat je in korte tijd een grote naam kunt opbouwen. Ik vond meldingen van gevonden ‘Sankey Aluma bricks’ in IJsland, Borneo, Kansas, op Mauritius, in Canada, enz. Sankey Aluma bricks zijn wellicht de meest bereisde bakstenen van de wereld. En een collectors item bovendien.

Had ik dat geweten toen die Amerikaan mij vanop dat terras weghaalde.

Hoeveel rum is ooit gemorst op deze historische stenen?

Misschien wel ooit een John Crow Batty

Als ik je een goede raad mag geven: vraag nooit uitdrukkelijk naar een John Crow Batty in Jamaica.

Om je te overtuigen: bij het distilleren van rum worden ‘kop en staart’ gescheiden van het ‘hart’ van de spirit. Dat is maar goed ook, in kop en staart zitten heel wat ongewenste congeners en foezelolie die we beter niet drinken. In Schotland komt kop en staart nooit in je fles terecht, maar wordt vaak bij een volgende distilleergang mee gestookt om te verfijnen. In Hampden Estate was het echter de gewoonte dat de werklui van de distilleerderij kop en staart mee naar huis namen om zelf te bottelen. Hoe vreemd ook, deze ‘rum’ viel bijzonder in de smaak bij de bevolking. Je dronk het als je ziek was, maar ook als je nergens pijn had.

Je dronk het bij elke geboorte en je doopte er de boreling mee… Je dronk het als je triest was maar ook in een vrolijke bui…  De Jamaicaan noemen het goedje ‘John Crow Batty’. Op dit eiland staat ‘John Crow’ voor ‘de gier’ en met ‘batty’ verwijzen ze veelbetekenend naar diens aars.

Weinig spirits hebben een naam die meteen ook de smaaknotities overbodig maakt.

Tekst en foto’s: Fernand Dacquin, senior writer TM

 


 

Zaterdag 10 april

When Nature Won’t, Pluto Will !

De ‘Smithsonian Institution’ aan de National Mall in Wahington D.C., een onderzoekcentrum van de Amerikaanse overheid, herbergt o.a. negentien musea waarin een kleine 150 miljoen voorwerpen zijn ondergebracht. Je kan er eindeloos in rondlopen en je weet niet wat je ziet: de Spirit of St. Louis (van Charles Lindbergh) hangt er, maar ook de schoentjes van Shirley Temple uit de ‘Wizard Of Oz’ zijn present, het skelet van een mammoet, de amateuristische allereerste Apple computer, Indiaanse kunst, de kleren van de First Ladies, de eerste elektrische lamp van Edison (die met de bamboevezel), alle mogelijke variaties van de Amerikaanse wasspeld… Kortom: alles wat, op om het even welk terrein, Amerika ‘great’ heeft gemaakt.

Het ‘National Museum of American History’, een van die musea, is een ware schattenkamer. Bij mijn laatste bezoek, had ik de allereerste Barbie, de handschoenen van Muchammad Ali, de Star-Sprangled banner (de eerste ‘stars and Stripes’) en de hoed van Abraham Lincoln al genoteerd, toen ik in een vitrine een onaangebroken flesje bronwater uit het begin van de vorige eeuw vond.

Pluto Water

Geef toe: je komt als waterflesje eerder in de berm terecht dan in een museum. En als je dan nog ‘Pluto Water’ op het label staan hebt, dan moet je als flesje wel heel bijzonder zijn.

De naam is wat verwarrend. Gaat het om die idiote hond van Minnie en Mickey Mouse? Neen, want deze pedigree-loze blaffer kwam pas in het nieuws rond 1930. Pluto water werd al gebotteld vóór 1900. Die andere Pluto dan, de planeet, die intussen gedegradeerd is tot dwergplaneet? Ook pas ontdekt in 1930 (vandaar de naam van de hond). Neen, dus. Blijft maar één Pluto over: Pluto de god van de onderwereld.

Vul nu zelf maar verder aan ONDERWERELD: vuur, sulfer, lijden, gekreun en geschrei, eindeloze ellende, slechts één hoop… verlost worden.

Nu krijgt ‘When Nature Won’t, Pluto Will’ plots meer betekenis.

Om er meer over te weten, moeten we duizend kilometer naar het westen, naar French Lick, een plaatsje in Orange County, in de staat Indiana. Met een beetje goede wil kunnen we zeggen dat er vandaag zo’n tweeduizend mensen wonen. Of je ze ‘French Lickers’ mag noemen, weet ik niet. Zelf zou ik het niet doen.

America’s Garden of Health

‘French’ komt van de Franse migranten die er rond 1800 het geluk kwamen zoeken en in plaats daarvan een drietal bronnen vonden waarvan het water een heel eigen smaak had. ‘Lick’ verwijst naar een plaats waar mensen en dieren aan bronnen en aan de mineraalrijke bodems komen likken, omdat het hen goed doet. Die dieren waren o.a. bizons en ander groot wild; die mensen: indianen. En die hadden het niet echt voor die Franse settlers, die ongevraagd kwamen meelikken. Maar het kwam uiteindelijk goed. Rond 1840 verscheen er een Franse handelspost en een hotel. Het volk stroomde toe, want de bronnen waren bijzonder heilzaam. Wie niet naar daar kon komen, kon snel in de winkels een flesje van het wonderwater kopen. Het water bevat namelijk heel wat zouten en mineralen, waaronder vooral natrium- en magnesiumsulfaat, twee natuurlijke laxeermiddelen.

French Lick verkreeg snel de bijnaam ‘America’s Garden of Health’. En het flesje de naam: Pluto Water, verwijzend naar de bron. Met de veelbelovende slogan ‘When Nature Won’t, Pluto Will!’.

Advertenties verzekerden dat je ‘na een paar glazen Pluto’ binnen een half uur (in het slechtste geval binnen twee uur) gegarandeerd naar het toilet zou rennen (of de plek die toen daarvoor doorging).

Amerika moet toen een enorm geconstipeerd land geweest zijn, want Pluto Water verkocht als zoete broodjes (wat een vergelijking!). Meer nog: op de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1900 werd het flesje bekroond met een gouden medaille. Het hek was van de dam (ik probeer wat beeldspraak in de lijn van het verhaal), vanaf dan was Pluto Water ook goed in geval van indigesties, nier-, lever- en maagklachten, zenuwproblemen en reuma. In 1918, kon je het zelfs ook innemen tegen de Spaanse griep. De flesjes waren overal verkrijgbaar, zelfs op de trein.

De periode 1900-1920 waren de gloriejaren voor Pluto Water. In 1919 zouden, bij een levering aan het distributiecentrum, 490 treinwagons nodig geweest zijn om alle flessen te vervoeren.

French Lick Springs Hotel

William Bowles, een Amerikaanse arts en politieker, kocht in 1832 samen met zijn broer zeshonderd hectare grond rond de bewuste Pluto bron. Daarop zou hij een stijlvol hotel en een ministad uitbouwen. Een succesonderneming, dankzij Pluto. Het hotel zou in de volgende 175 jaar geregeld van eigenaar wisselen, uitbreiden, vernieuwen… Tegen 1910 was het al verrijkt met een spa-afdeling en een golfbaan. Een speciale spoorlijn uit Chicago stopte er voor de deur. Het restaurant, met aan de rode knop de beroemde chef Louis Perrin, was een must voor ieder die erbij wou horen. Het was overigens hier dat in 1917 ‘tomato juice’ werd uitgevonden. Perrin, geroemd om zijn ‘orange juices’ viel op een dag zonder appelsienen en gooide dan maar tomaten in de pers, met wat suiker en kruiden. Succes. Het liep goed met de zaak. Men kon er ook in goed gezelschap gokken, gangster Al Capone was er een vaste klant.

Betere ontledingen van Pluto water zorgden echter voor slecht nieuws: Pluto water bevat ook lithium, een metaal dat in 1971 op de lijst van verboden producten werd gezet. Dit was de doodsteek voor Pluto Water, dat van de markt verdween.

Ook French Lick raakte in verval, maar in 2006 werd, met een kapitaal van zeshonderd miljoen dollar, het vervallen hotel gerenoveerd en uitgebreid met een onvermijdelijk Las Vegas stijl-casino. En er werden in de volgende jaren nog meer dollars op tafel gelegd. Het ‘French Lick Springs Hotel and Casino’ straalt weer de glimmende oude glorie uit.

Waar wacht je op? Dit is America’s Garden of Health!`

Twee ambassadeurs

Mocht je echt nog niet overtuigd zijn van de heilzaamheid van French Lick water, dan wijs ik even naar Larry Bird, universeel erkend als een van de allerbeste spelers uit de Amerikaanse basketbalgeschiedenis. Hij groeide op in French Lick, tussen de bronnen, dronk dat levenswater en werd er waarschijnlijk mee gewassen. Hij meet nu 2,06 meter, weegt honderd kilo en won een gouden medaille op de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona.

Gij nu. Maar wacht.

Van Louis ‘Satchmo’ Armstrong weten we dat hij bij een optreden bijna steeds een flesje Pluto water bij had. Of hij het dronk vóór of na het optreden kon ik niet achterhalen. Maar… afgaande op zijn stem zou ik durven zeggen… na. Denk ik, hé.

Tekst & foto’s: Fernand Dacquin, senior writer Travel Magazine

 

 


 

 

Zaterdag 27 maart

Arlette Van Falaise

In de Rue de la Roche, aan de voet van een stevige rotsheuvel, met daarop een indrukwekkend Normandische burcht, stroomt een twee meter breed grachtje. Daarnaast, in een muur tussen twee minitorens is een idyllisch tafereel afgebeeld met daarnaast een stenen plaquette waarvan de tekst begint met:

‘EN CE LIEU, AUX PREMIERES FLEURS DU PRINTEMPS DE L’AN MXXVII, ROBERT LE MAGNIFIQUE, DUC DE NORMANDIE, MAITRE DE FALAISE, UN SOIR QU’IL RENTRAIT DE LA CHASSE, DISTINGUA ARLETTE, FILLE DU TANNEUR…’

We zijn in Falaise, hartje Calvadosstreek, en de bewuste Robert was in 1027 hertog van Normandië. Naast zijn bijnaam ‘de Schitterende’ werd hij ook vaak aangeduid met ‘de Duivel’. Dat komt ervan als je je oudere broer vergiftigt om zelf hertog te kunnen worden. Jagen was een van zijn hobby’s en het was dus op een lenteavond dat hij, na een jachtpartij, oog in oog kwam te staan met ene Arlette…

 

De lyrische plaquette gaat verder met ‘ze was schoner dan een bloem…’ en ‘verleidelijker dan…’ weer wat anders, maar meer details krijgen we niet. Ook de geschiedenisboeken zwijgen in alle talen over wat bij dit riviertje verder gebeurde. Vergeet niet dat veel details uit de Middeleeuwen verloren gingen.

Maar het is niet moeilijk om ons het verdere verloop van deze situatie voor te stellen, wetende dat het zich in Frankrijk afspeelt. Simpel: de graaf springt elegant van zijn paard, gaat nonchalant naar de jonge dame, zegt glimlachend “Bonsoir chérie, vous venez souvent ici? Vous habitez chez vos parents?” En hup.

Mis.

Robert de Duivel is wel een Normandiër, maar geen Fransman. Hij is een Viking. Zijn voorvader was hertog Rollo. Voor de vrienden ‘Rolf Ganger’, wat ‘de wandelaar’ betekent. Naar het schijnt was hij zo groot en zo zwaar dat geen enkel paard hem kon dragen. Hij moest dus altijd lopen. Die kerels dronken bier uit de schedels van hun vijanden! Zij pakten dergelijke ontmoetingen helemaal anders aan.

Om daar meer over te weten, moeten we (gelukkig is dit een toeristisch magazine) naar de Orkneys in Schotland. Op vijftien kilometer ten westen van de hoofdstad Kirkwall ligt een vijfduizend jaar oude grafheuvel Maes Howe. Zo’n duizend jaar geleden konden de invallende Vikings via de top in de grafheuvel neerdalen. Wat ze gestolen hebben weten we niet, maar wat ze achterlieten weten we wel. Met hun bijlen kerfden ze een massa runentekens in de rotsblokken (een van de grootste collecties runenschrift in de wereld) en daaruit leren we heel wat.

Er staat onder andere: “Deze runentekens zijn gekrast door de meest handige schrijver van runentekens, met de bijl die Gauk Trandilsson doodde in het zuiden van IJsland”.

En daaronder: “Ingiborg is een knappe meid…maar Ingigerth is de mooiste en heeft zich hier voor mij gebukt.”

Ik wil hier nu niets speciaal uit afleiden, maar kijk, zo waren die Vikings. Op school leerden we enkel dat het wrede rovers en moordenaars waren, maar je moet toegeven dat ze toch oog hadden voor detail.

Maar we wijken af, terug naar Falaise.

Onze gids wijst een raampje van het kasteel aan en geeft dan zijn versie van het voorval: Robert de Duivel zou Arlette gezien hebben vanuit dat raam. Onzin. Het kasteel dat er nu staat is pas twee eeuwen na Robert gebouwd. Maar het is wel een schoolvoorbeeld van Normandische stijl en doet sterk denken aan de White Tower in London. Als je het bouwwerk vanuit ons standpunt, aan het grachtje, bekijkt tenminste. Maar als je de heuvel opkruipt naar de ingang dan ontdek je pas hoe een renovatie (die in de jaren negentig van de vorige eeuw gebeurde), een monument kan verbrodden. Een onooglijke combinatie van betonnen blokken, stalen trappen en een loopbrug zorgen er nu voor dat het beroemde ‘Château de Falaise’ een zeer verdeelde pers krijgt.

Maar hoe dan ook: het was op deze plek dat een jonge vrouw met de naam Arlette in 1028 beviel van een flinke zoon, die ze Guillaume noemde. Wij zullen hem later Willem noemen.

Wie was Arlette?

Arlette is de onvermijdelijke verfransing van haar echte naam Herleva, want zo heette ze. Ze was de dochter van Fulbert ‘le tanneur’. Dat laatste zorgt vooral voor wat verwarring. Was hij leerlooier? Een niet zo achtenswaardig beroep in die tijd. Of begrafenisondernemer? Want doden werden toen vaak in lederen zakken begraven. Feit is dat Robert het goed met hem kon vinden. En ook met Arlette. Hoewel hij niet met haar huwde, beschouwde hij haar als een echtgenote. Vikings hadden zoiets als ‘more danico’, waarbij een man meerdere vrouwen had zonder gehuwd te zijn. De kinderen van die vrouwen waren dan ook bastaards, maar dat was meer een eretitel dan wat anders.

Daarom zou haar zoon Willem aanvankelijk door het leven gaan als Willem de Bastaard.

In 1035 vertrok Robert op bedevaart naar Jeruzalem. Voor zijn vertrek zorgde hij er niet enkel voor dat zijn nog jonge zoon Willem alle steun kreeg van de adel, maar hij koppelde Arlette aan Herluinus de Contreville, met wie ze huwde en kinderen kreeg. Ze ligt begraven bij wat nog rest van de abdij van Grestain, die ze samen met haar nieuwe man stichtte.

Nu nog een sprong naar ons land

In Hoei doet al eeuwenlang het verhaal de ronde dat Arlette uit die stad afkomstig was. Meer nog: van haar vader weten ze dat hij geboren is in Florennes. Haar moeder, die Doda heette, zou een gevluchte Schotse prinses geweest zijn.

Voeg daar nog aan toe dat naar de zoon van Arlette later zal worden verwezen als ‘Willem de Veroveraar’, de kerel die in 1066 de slag bij Hastings won, koning van Engeland werd en daardoor ook de hele geschiedenis van Europa een nieuwe richting opstuurde.

Genoeg redenen vond men in Hoei om een straat naar haar te noemen, Cour Arlette de Huy, en haar daarbij nog een standbeeld te geven. In Hoei.

Haar zoon, Willem de Veroveraar, wie zelfs meerdere standbeelden en straatnamen te beurt viel, huwde in 1053 met Mathilde van Vlaanderen.

De in Brugge geboren Mathilde, kan ook een mooie cv voorleggen: dochter van graaf Boudewijn V van Vlaanderen, kleindochter van de koning Robert II van Frankrijk, hertogin van Normandië, eerste gekroonde koningin van Engeland, moeder van twee koningen van Engeland.

Enig idee waar hier een standbeeld van Mathilde staat? Bij mijn weten nergens, maar wel eentje in de ‘Jardin de Luxembourg’ in Parijs. In ons land is geen enkele steeg, weg, straat, laan, baan, plein, toren, haven, brug… naar haar genoemd. Zelfs niet eens (het minste wat je kan krijgen): een tunnel.

Maar het zou best kunnen dat ze niet zo goed kon zingen als Annie Cordy.

Tekst en foto’s: Fernand Dacquin, senior writer TM


 

Zaterdag 13 maart

De leeuwen van Meikles, Harare

Aan de noordgevel van het bekende Meikles Hotel in Harare, Zimbabwe, zit een ronde koperen plaquette sierlijk ingewerkt in de marmeren gevelplaten. De begintekst ervan doet je meteen omhoogkijken.

THIS CUPOLA IS A REPLICA OF THE ONE THAT STOOD ABOVE THE WEST FRONT OF THE ORIGINAL MEIKLES HOTEL OPENED IN 1915…

Anderhalve meter hoger staan twee sneeuwwitte leeuwen, die elk een eigen kant opkijken. Ze houden straat en plein in de gaten. In 1915 stonden ze boven op de westgevel van het vroegere hotel, aan de basis van een opvallende koepel. Ze werden snel het herkenningspunt in Harare (toen nog Salisbury). De leeuwen zien er nu wat verweerd uit, maar wat wil je: ze hebben een eeuw geschiedenis achter de rug. Net als de Meikles zelf.

Acht jaar na mijn laatste verblijf in Meikles Hotel Harare zit ik in een whiskybar in Edinburgh met Annabel Meikle, achter-achterkleindochter van de man die aan de basis lag van het hele Meikles-verhaal. Dat ik haar in een whiskybar ontmoet lag deze keer niet aan mij: Annabel kan bogen op een achtenswaardige loopbaan in de whiskyindustrie en is nu Director van de wereldvermaarde whiskysociety ‘The Keepers of the Quaich’.

Diamanten en goud

Annabel Meikle: “Mijn betovergrootvader John Meikle liet in 1869 Schotland achter zich en vertrok met vrouw en vier kleine kinderen – Stewart, Tom, Jack en Jeannie – naar Zuid-Afrika. Een reis van meer dan drie maanden. Hij vestigde zich tenslotte in een boerderij in de Britse kolonie Natal. Daar was de grond goedkoop, vooral omdat het niet de meest veilige plek was. Een hele reeks gebeurtenissen zou ervoor zorgen dat ze uiteindelijk in Rhodesia belandden, het huidige Zimbabwe. Stewart, geboren in 1866, zou mijn overgrootvader worden. Ik kwam pas precies honderd jaar later in de familie.”

Het boerenleven in Natal voldeed niet aan Johns verwachtingen. Hij zocht dan maar meer inkomsten in het diamant delven, terwijl vrouw en kinderen de boerderij verder runden. Maar ook het diamantverhaal liep niet lekker. Tot zijn oudste zoon Tom een mooie klomp goud vond, heel wat geld waard. Die ‘nugget’ zou de Meikles een nieuwe uitrit bieden. Tom kocht er een huifkar en ossen mee en startte een transportbedrijf. Zo kon hij de goederen tot bij de koper brengen. Het werkte hard en zijn twee broers sloten zich snel, als transporteurs, bij hem aan. Toen ontdekten ze dat in Mashionaland, een deel van het huidige Zimbabwe en duizend kilometer ten noorden van Natal, Rhodes en zijn kolonisten op het tandvlees zaten bij gebrek aan proviand. De drie broers legden een karavaan in van vijf zwaar geladen huifkarren vol goederen (en whisky), elk getrokken door zestien ossen. Een indrukwekkende stoet, een ongelooflijke onderneming die drie maanden in beslag zou nemen, einddoel Fort Victoria, het huidige Masvingo. De tocht lukte en een nieuw leven kon beginnen.

Een snel met kratten opgebouwd winkeltje zou de start worden van het Meikles-imperium in Zuid-Rodesia. Er volgden twee bijhuizen dichter bij Salisbury. De drie broers vormden een hecht team: Stewart bleef ter plaatse en volgde de shops op, Tom en Jack zorgden voor het transport. De zaken liepen goed.

Meikles Hotel komt er

Het eerste Meikles Hotel opende de deuren in Salisbury in november 1915. Het was een idee van Stewart Meikle, die echter overleed voor het hotel klaar was. Tom Meikle zou de zaak verder opvolgen.

Het moet een indrukkend gebouw, in koloniale stijl, geweest zijn. Het werd toen omschreven als ‘zeer elegant hotel, een van de beste in Afrika. Met hoge sierlijke zalen, open veranda’s, comfortabele accommodatie, lekkere keuken en een perfecte service’.

‘Meet you at Meikles’, betekende (en betekent nog altijd) dat de aangesprokene erbij hoort.

Annabel Meikle: “Ik was nog een kleuter toen mijn vader ons allemaal meenam voor een reis naar Afrika. In Salisbury verbleven we uiteraard in ons familiehotel. Ik was nog klein, maar ik herinner me toch nog het beeld toen we met zijn allen thee dronken in het salon van het hotel. Aan de muur hing een groot portret van een man waarvan ik pas later leerde dat het mijn overgrootvader was.”

De twee witte leeuwen, die het kenmerk waren van Meikles Hotel, kan ze zich niet meer herinneren.

Toen het oude hotel in 1974 afgebroken werd om plaats te maken voor een compleet nieuwe Meikles werden de leeuwen, die boven de westgevel bij de koepel stonden (een werk van de Italiaanse beeldhouwer Euletto Jotto uit 1912) zorgvuldig opgeborgen. Je gooit je symbolen niet zomaar in de container.

Als de leeuwen brullen

Het nieuwe vijfsterren Meikles Hotel opende in 1976. De daaropvolgende jaren zou het gebouw steeds met nieuwe delen worden aangevuld. Toen in 1993 de noordvleugel werd uitgebreid, haalden ze de leeuwen weer boven water en plaatsten ze prominent boven het voetpad.

‘Symbool van sterkte en standvastigheid’ schreven de Meikles in hoofdletters op de gedenkplaat.

Maar voor de inwoners van Harare betekenen ze veel meer. Er bestaat een eeuw-oud geloof dat de leeuwen brullen, telkens een maagd aan hen voorbijloopt.

Ik verbleef drie of vier keer in het Meikles Hotel.

Ik heb ze nooit horen brullen.

Ik wil er me niet over uitspreken. Ik weet het: een mens zou geneigd zijn te denken dat dit ‘brullen’ gewoon een verzinsel is, een marketingtool van die Meikles.

Maar als je dieper nadenkt: het zou ook kunnen dat ze echt kunnen brullen, maar dat er…

Nog even ter zake: het ging al heel lang niet goed met de geschiedenis en het toerisme in Zimbabwe. In december 2019 werd Meikles Hotel Harare verkocht aan ASB Hospitality Zimbabwe, een dochteronderneming van de in Dubai gevestigde Albwardy Investment voor twintig miljoen dollar.

ASB trekt nog eens dertig miljoen dollar uit om het hotel te renoveren. Het hotel moet weer ‘de oude glorie’ worden.

Tekst en foto’s: Fernand Dacquin, senior writer TM

 


 

Zaterdag 27 februari

The famous Crabstane

Op de hoek aan Langstane Place en Bon Accord Terrace in Aberdeen vind je een restaurantje met de niet al te verleidelijke naam ‘The Spiritualist’. Net ernaast, aan een onooglijk muurtje rond een binnenkoer, hangt een kleine gedenkplaat met de begintekst: THE CRABSTANE.

BOUNDARY STONE ON LANDS BELONGING TO JOHN CRAB, BAILLIE OF THE BURGH IN 1314…

En daaronder nog twee verwijzingen naar schermutselingen tussen rivaliserende clans die het hier ter plaatse uitvochten. Onder de plaat is een verweerd rotsblok ingemetseld. Dit is de bewuste Crabstane (uitspreken: Crabsteen). Ooit duidde de steen daar een hoekpunt aan van de eigendom van een zekere John Crab, blijkbaar een respectabel inwoner van Aberdeen. Deze plaats, toen nog ver buiten de stad, ligt nu helemaal omringd door de grauwgrijze gebouwen van de ‘Granietstad’ Aberdeen.

Voorbijgangers lopen er ongeïnteresseerd langs. Niemand kijk maar even op.

Naar Sint Anna ter Muiden

Op zoek naar deze John Crab moeten we achthonderd kilometer naar het zuiden en zevenhonderdveertig jaar terug in de tijd. In Mude (nu Sint Anna ter Muiden, net over de Nederlandse grens, maar toen volop in Vlaanderen) werd rond 1280 ene Johan Crabbe geboren. Hij zou geschiedenis maken als zeerover, admiraal, ingenieur, koninklijk raadgever, moordenaar, weldoener, overloper en ereburger. En ‘beroemd’ worden als John Crab. Geef toe: een indrukwekkend cv.

Sint Anna ter Muiden is nu een heel fotogeniek plekje, met zo’n vijftig inwoners weliswaar slechts een zakdoek groot, dat niet kan ontbreken bij fiets- of wandeltocht in Zeeuws-Vlaanderen. Eén straatje, dat er het stille Marktplein kruist, heet ‘Haven’. In de tijd van Crabbe was dit een hele drukke plaats. Een echte haven.

In 1134 kende het gebied een hevige stormvloed. Het woeste water drong het land binnen. Toen alle geweld ging liggen, bleef een uitgestrekte, met eilanden, slikken en schorren gevulde, delta over: het Zwin, aan de monding meer dan vijf kilometer breed. Een van de vele kreken slingerde zich tot in het plaatsje dat later Damme zou heten, daar bleven de zeeschepen hangen omwille van ‘verder te ondiep’. Brugge liet meteen een kanaal tot in Damme graven: de nieuwe Reie. Gent en andere steden volgden dit voorbeeld en zochten via Damme een nieuwe uitweg naar de zee. Het Zwin, die grillige watermassa, werd meteen een van de belangrijkste poorten om goederen en mensen naar Vlaanderen te brengen. Aan de oevers ontstonden havens zoals Sint Anna ter Muiden, Oostburg, Damme en Sluis. Samen met Damme groeide Mude uit tot belangrijke voorhavens van Brugge. In die voorhavens werden de goederen overgeladen op kleine schepen die wel tot in het binnenland verder konden. Specerijen, goud- en zilverwerk, wol, pelzen, koren, leder, wijn, zijde, zout, tin, koper, olie… alle invoer passeerde eerst door de handen van kerels uit Mude, Damme… En daar hoorde Johan Crabbe bij. Alleen had hij een heel ander idee over de verwerking ervan.

Crabbe schiet in actie

Voor het levensverhaal van Johan Crabbe moeten we af en toe een sprongetje in de tijd maken, er is niet zo veel beschreven.

Vrij jong nog koos Crabbe voor iets heel anders dan laden en lossen van goederen: hij ronselde een team zware jongens, tikte een schip op de kop en ging de zee op, op zoek naar rijk beladen schepen.

Met succes. We weten dat hij in 1305 het schip De Waardebourc kon veroveren, wat hem een buit van 160 vaten wijn en een bende zeelui opleverde. Die laatste zou hij wel als slaaf verkocht krijgen.

De koning van Frankrijk gaf meteen aan Robrecht van Bethune, graaf van Vlaanderen, te kennen dat hij die zeerovers moest opsporen en indien mogelijk radbraken. Maar Crabbe was nergens te vinden. Vijf jaar later horen weer van hem. Nu is het de Engelse koning Edward die bij de graaf komt klagen.

Crabbe en zijn bende hadden, tussen Wissant en Dover, een Engels schip met onder andere juwelen, edelstenen, goud leeg gemaakt.

Blijkbaar was zijn project verder uitgewerkt en kon hij zijn onderneming succesvol noemen. En dat kwam vooral door zijn vindingrijkheid. Hij ontwierp en bouwde kunstige katapulten waarmee hij enorme rotsblokken vanop zijn schip kon schieten naar zijn prooien. Dat werkte veel sneller en veiliger dan enteren en een mam-aan-man-gevecht aan te gaan. Het zou hem tevens de titel ‘ingenieur’ opleveren. Er kwamen nog meer klachten over Crabbe en zijn bende (er was ook sprake van moord), maar ook hier kreeg de graaf hem niet te pakken. Hij was nergens te vinden.

In 1311 duikt hij op in Aberdeen, een ideale plaats, ver van de woede van Vlaanderen en ver van die van Engeland. Aberdeen was overigens een goede uitvalbasis voor zeeroverij. Je vond dan ook veel Vlaamse ‘handelaars’ in Aberdeen. Met zijn team overviel hij lustig een reeks met wol beladen Engelse schepen. Die wol zou via-via Vlaanderen wel bereiken, maar de opbrengst zou uiteindelijk naar Crabbe en zijn team gaan. Hij werd ter plaatse rijk en gewaardeerd.

Van zeerover tot admiraal

Van 1315 tot 1317 zorgde heel slacht weer voor voedseltekort in Vlaanderen. Graaf Robrecht van Bethune zocht wanhopig naar oplossingen en ging zo ver dat hij aan de Vlaamse piraten opdracht gaf, om in zijn naam, zo veel mogelijk Engelse en Franse schepen die voedselvoorraden aan boord hadden te enteren, de inboedel in beslag te nemen en naar Vlaanderen te brengen. Zoiets is Johan Crabbe, die nog steeds in Schotland zit, toch op zijn lijf geschreven. Hij hapt toe en komt naar Vlaanderen. Niettegenstaande zijn reputatie, wandelt hij hier langs de grote poort weer binnen.

Hij wordt door de graaf met open armen ontvangen. Robrecht stelt hem, in samenspraak met de steden Brugge en Gent, meteen een flinke vloot ter beschikking. Dat kon Johan Crabbe volop waarderen, en het feit dat hij tot admiraal werd benoemd nam hij er graag bij.

We beschikken over weinig details, maar hij moet er een erezaak van gemaakt hebben, want zowel de Engelse als de Franse koning gaven aan de graaf te kennen dat ze hem zo snel mogelijk gevierendeeld wilden zien. Maar ook hier stond de graaf weer machteloos. Crabbe verdween opnieuw.

Van admiraal naar ingenieur en overloper

Rond 1318 vinden we hem terug in Berwick-upon-Tweed, een havenplaats aan de oostkust van Groot-Brittannië, precies op de (wat onduidelijke) grens tussen Schotland en Engeland. Twee landen die het met elkaar niet kunnen vinden. Maar dit was wel de toegangspoort tot Schotland. Tot welk land de stad behoorde hing af van wie laatst de burcht veroverde. Niet te verwonderen dat Schotten en Engelsen er met vaste regelmaat voor vochten. Vanuit het (toen Schotse) Berwick kon Crabbe rustige verder gaan met het leegroven van Engelse schepen. Intussen had hij zijn reputatie als bedenker en producer van ‘modern’ oorlogsmateriaal ook alle eer aangedaan en schopte het zelfs tot poorter van de stad. Bij een aanval op de burcht door de Engelsen in 1319 konden de Schotten volop gebruik maken van Crabbe’s katapulten om de vijand te bekogelen met rotsblokken, brandende vaten, rottende kadavers… en als winnaar uit de slag te komen. Als dank voor zijn inbreng schonk koning Robert the Bruce hem gronden en eigendommen op verschillende plaatsen in Schotland. Hij werd ereburger van Aberdeen benoemd en commissaris van het parlement. Hij zat er warmpjes in een deed ook schenkingen aan scholen en ziekenhuizen.

In 1332 brak echter een nieuwe oorlog tussen Engeland en Schotland uit en Crabbe werd door de Engelsen gevangengenomen. Listig als hij was, wist hij de Engelse koning Edward III te overtuigen om hem in dienst te nemen in plaats van hem op te hangen.

Bij de daaropvolgende schermutselingen streed Crabbe dan ook volop mee aan de kant van de Engelsen en konden ze gebruik maken van zijn geniale werptoestellen. We vinden zijn naam dan ook terug in de verslagen van latere oorlogen waar de Engelsen zo creatief in waren: de 100-Jarige Oorlog, de Slag bij Sluis, enz.

Tot in 1352.

Johan Crabbe, beter gekend als John Crab, door sommigen bejubeld maar door velen gevreesd, overleed in Somerton Castle in buurt van Lincoln. De Engelsen hadden hem de voogdij en de opbrengsten van die kasteel cadeau gedaan.

Alleen de onopvallende Crabstane in Aberdeen herinnert nog aan hem. En geef toe: daar kom je niet ver mee.

 

Tekst en foto’s: Fernand Dacquin, senior writer TM

 

 


 

Zaterdag 13 februari

Stroma, het rijk der schapen

Aan de rand van een drassig grasland, naast wat ooit een wegje was, staan we bij een ruw gemetseld, anderhalve meter hoog muurtje met daarop een kruis en een bronzen plaat, zowat een A4-tje groot, met: ‘TO THE GLORY OF GOD AND THE MEMORY OF THE MAN OF THIS ISLAND WHO GAVE THEIR LIVES…’. Daaronder twaalf namen, zes voor elke ‘Great War’.

Twee keer de ‘Sinclair’, drie keer ‘Smith’, verder nog Campbell, Falconer, McAdie, Manson, Dundas en Robertson. Indien niet uit één familie, dan toch dichte buren.

‘We remember them’. Het voelt heel vreemd aan als je dat leest op een muurtje ‘in the middle of nowhere’ op een onbewoond eiland.

We staan op het eiland Stroma, ten noorden van het Schotse vasteland, zowat vijf kilometer ten noordwesten van John o’Groats. William Simpson, de eigenaar van het eiland, had ons vanuit Gills Bay naar daar gebracht. Zijn puffend bootje ‘Boy James’ was duidelijk andere passagiers gewoon: schapen. ‘Weather permitting’ had hij vooraf meerdere keren duidelijk gezegd, want het water waar we door moesten, de ‘Penthland Firth’, is zowat een van de gevaarlijkste plaatsen in de Noordzee, vol verrassende stromingen en draaikolken en vooral het eerste doelwit van elk type bar weer.

In de annalen lezen we dat bij stormweer de waterstand in het westen van het eiland vaak vier meter hoger was dan in het oosten. Net voor de noordpunt van het eiland zorgt draaikolk Swilkie voor enorme problemen. Een storm bracht er in 1862 golven van meer dan dertig meter hoog.

Heel wat mannen op Stroma kenden de gevaren van de Pentland Firth. Ze vonden dan ook een inkomen door als ervaren loods de schepen waarvan de bemanning deze plek niet kende, aan boord bij te staan. Tussen 1830 en 1990 raakten zo’n 600 schepen in moeilijkheden in die Pentland Firth. Zij die op de rotsen van Stroma eindigden, werden door de bevolking ’met open armen’ ontvangen. Uit de wrakken haalden ze het hout en de achtergebleven goederen.

Onlangs nog liep een Schotse visser op de rotsen, maar er was niemand meer om hem te verwelkomen.

Een eiland dat niemand wilt

William Simpson: ”Mijn vader kocht het eiland, vierhonderd hectare groot, in 1961. Toen woonde er nog een twaalftal mensen, maar iedereen wist dat het niet lang meer zou duren. Hij wilde het niet verloren laten gaan en kocht het in een zotte bui. Mijn moeder schrok zich dood toen ze het vernam.”

Heel impulsief van de man, maar je laat niet sollen met een eiland waarop je, zoals hij, geboren bent.

Vader Simpson kocht het eiland van William Hoyland, eigenaar van een bekend bedrijf dat regenschermen produceerde. Die wilde het eiland kwijt. Veel kandidaat-kopers waren er niet en zelfs de Britse regering maakte zich zorgen en zocht mee naar een oplossing.

Men bedacht heel wat plannen voor het eiland, de regering had nood aan een gevangenis en misschien was dit wel een buitenkans. Maar dat ging niet door. Later werd het idee ‘crematorium’ naar voor geschoven, maar daarvoor waren geen kandidaten te vinden. Iemand kwam met het idee ‘nudistenkamp’ aandraven, maar de nuchtere Schotten wezen even naar het klimaat en op het feit dat die 60° noorderbreedte van Stroma ook dwars door Alaska en Sint-Petersburg loopt. Neen dus.

Ten einde raad stelde Hoyland in 1958 aan de Amerikaanse zender CBS voor om het eiland als prijs te gebruiken in de toen populaire tv-quiz ‘Bid ‘n’ Buy’. Er kwam zo veel protest uit Schotland en de VS dat CBS tussendoor besloot de prijs te vervangen door een auto.

Stroma bleef dus te koop tot vader Simpson langskwam.

William Simpson: “In de zomer, dan kan het heel mooi zijn op het eiland. ‘But very hard in winter’.

We hadden vroeger runderen op het eiland, maar die waren te moeilijk om op te volgen en dus houden we het nu bij schapen. Ze blijven het hele jaar op het eiland, ook tijdens de harde winters. In de lente kan het een paar weken heel zacht zijn en dan is het tijd voor de lammetjes, dan zijn we vaker op het eiland. We houden meer dan zevenhonderd schapen op Stroma, niet voor de wol want daar valt niet veel mee te verdienen, maar voor het vlees.”

De haven bracht redding

Rond 1950 bezat het eiland nog altijd een schooltje, een winkeltje en zelfs eigen postzegels. Eén belangrijke zaak ontbrak: een haventje. Een bootje dat, bij gunstig weer, de overtocht haalde moest noodgedwongen op het keienstrand worden getrokken.

De regering, die met lede ogen toezag hoe het eiland langzaamaan leegliep, besloot tot de bouw van een kleine haven. Van dit project zou ook gebruik gemaakt worden om werkgelegenheid te creëren voor de eilanders zelf en hen daarvoor goed te betalen zodat ze later nieuwe initiatieven konden nemen. De werken startten in 1955. De eilanders werkten hard mee. En werden goed betaald.

Zo goed zelfs dat velen onder hen voldoende konden sparen om het eiland achter zich te laten en zich op het vasteland te gaan vestigen.

De thuisblijvers waren niet talrijk genoeg om het eiland leefbaar te houden. Winkeltje dicht, schooltje dicht… Eén na een vertrokken ze en alleen de vuurtorenwachters en hun gezin bleven achter.

Toen de vuurtoren in 1997 werd geautomatiseerd trokken ook zij de deur dicht.

De laatste van Stroma

Catherine Byrne is de laatste persoon op Stroma geboren. In 1957, in een ’croftje’ aan de zuidoostkant van het eiland. We vinden haar in de havenplaats Wick aan de noordoostkust van het Schotse vasteland. Ze schrijft boeken over het leven op de eilanden en is een boeiend verteller.

“Thuis geboren worden was een gangbare zaak, alleen als er verwikkelingen waren, gebeurde het op het vasteland. Er was geen dokter op het eiland, wel een verpleegster. Bij erge aandoeningen moest een dokter overkomen van het vasteland. Vóór de radiotelefoon er kwam, hing iedereen een wit laken buiten zodat men van op het vasteland kon zien dat er een dokter nodig was. Vaak was de zee zo woest dat het nog een weekje duurde eer hij de overtocht kon maken.

Stroma was een heel gesloten gemeenschap. Iedereen kende iedereen, de meesten behoorden zelfs tot dezelfde drie of vier families. We waren dus volledig op elkaar aangewezen, vooral in de winter. Mijn vader was visser en hielp als vuurtorenwachter. We hadden ook wat schapen, en kweekten maïs en andere gewassen. Omwille van de vuurtoren bleven wij langer op het eiland. Veel eilanders konden zich intussen een ‘landverhuizing’ financieel permitteren en trokken naar Wick. Een leeg huisje op Stroma kon je op de duur kopen voor twintig pond! Ik verliet Stroma toen ik bijna tien was.”

Het kerkhof van Stroma ligt op de zuidoostpunt van het eiland.

Een slordige omheining houdt er de schapen buiten. De grafstenen zijn overwoekerd en de opschriften moeilijk leefbaar. Ik zoek de namen die ik ook op het bronzen plaatje vond. Sinclair, Robertson… het is zoekwerk. Maar de verscheidenheid is niet groot. Eén grote familie.

In de hoek van het kerkhof staat een vierkante toren: het mausoleum van de familie Kennedy of Carmuck, die het eiland in de zeventiende eeuw bezat.

Het gebouw ligt er vervallen bij en de inhoud is volledig verdwenen, maar dit was ooit de topattractie van het eiland. Het zoutgehalte in de lucht zorgde er namelijk voor dat de lichamen die er begraven werden mummificeerden. Een van de nakomelingen Murdoch Kennedy’s had in de achttiende eeuw de gewoonte om met het lichaam van zijn vader een kleine, grappige voorstelling te geven als toeristen langskwamen.

Toeristen komen er vandaag niet zo vaak langs. Maar William Simpson brengt je er met plezier naartoe. Je wordt er telkens verwelkomd door een kolonie zeehonden, een kudde schapen en wat schuwe zeevogels. Maar ze laten je meteen aan je lot over. Je hebt het eiland weer helemaal voor jou alleen. Zalig.

Vreemd dat je dan toch weer even gaat stilstaan bij dat muurtje met de bronzen plaat.

Tekst en foto’s: Fernand Dacquin, senior writer TM

 


Zaterdag 30 januari

“De keizer van de Verenigde Staten”

Het Salesforce Transit Center in San Francisco, California, lijkt echt niet op een busstation waar de vele maatschappijen hun stopplaats hebben. De ‘Grand Hall’, het hart ervan lijkt meer op een hypermoderne ‘mall’ met daarrond, binnenshuis, drie verdiepingen met brede rijbanen en bushaltes. Op het dak een enorm park, meer dan vijf hectare groot, met zeshonderd bomen,16.000 botanische planten en rustplaatsen vol knusse banken. Men kan er dus de bus nemen, maar ook midden in de stad lekker wegdromen in de natuur. Je bent er op zo’n vijfhonderd meter van de fameuze San Francisco Bay en van de legendarische San Francisco-Oakland Bay Bridge.

Het is wat zoeken, maar in het gebouw, op de derde verdieping in de buurt van de Greyhound-stopplaats hangt sinds november 2019 een opmerkelijke gedenkplaat, die zegt:

 PAUSE TRAVELLER AND BE GREATFUL TO NORTON I, EMPEROR OF THE UNITED STATES AND PROTECTOR OF MEXICO, WHOSE PROFETIC WISDOM CONCEIVED AND DECREED THE BRIDGING OF SAN FRANCISCO BAY…

De tekst verwijst naar een verordening uitgevaardigd door Joshua Abraham Norton, die zichzelf tot Keizer van de Verenigde Staten had uitgeroepen door op 17 september 1859 even aan te kloppen bij de krant ‘San Francisco Bulletin’ met verzoek zijn tekst te publiceren. Hij schreef: ‘Op het dwingende verzoek en de wens van een grote meerderheid van de burgers van deze Verenigde Staten, ik, Joshua Norton, verklaar en noem mezelf keizer van deze Verenigde Staten.’

De redactie vond het leuk en zette het op ‘de één’. De bal ging aan het rollen. Een week later volgde een nieuw decreet: ‘Fraude en corruptie verhinderen een eerlijke en juiste uiting van de publieke stem… als gevolg waarvan we hierbij besluiten het Congres af te schaffen.” En om het af te ronden gooide hij ook de president buiten en besloot alleen verder te regeren.

Keizerlijke waardigheid

De Bulletin publiceerde zijn keizerlijk bericht: ‘Het is ons, Keizer Norton l, ter ore gekomen dat de onderdanen de toestand van het Keizerlijk Uniform een schande voor de natie vinden.’

Een van de grootste couturiers van San Francisco zorgde voor een nieuw pak voor de keizer.

De tram- en treinmaatschappijen gaven hem een levenslang gratis ticket. ln de theaters van de stad had hij een vaste (gratis) stoel en in de beste restaurants werd hem nooit een rekening aangeboden. Toen een overijverige agent hem op een dag oppakte wegens landloperij, scheelde het geen haar of er brak een algemene staking uit in San Francisco.

Het ontbrak hem eigenlijk enkel maar aan zakgeld. Zoals elke machthebber greep hij naar ‘belastingen’. Er verscheen een publicatie (van zijn hand, natuurlijk) waarbij banken hem wekelijks drie dollar moesten betalen en eigenaars van onroerende goederen voor 25 cent werden belast. Hij ging die belastingen persoonlijk incasseren en iedereen betaalde zonder morren. In 1871 vond hij het beter om zijn eigen geld te drukken en vond een vakman om dat voor hem te doen. Het werd meteen een gangbare munt en is nog steeds een gezocht collectors item.

Hoewel het er in de wereld nog onstuimig aan toe ging verliep zijn regeerperiode zonder veel problemen. Bij de Franse interventie in Mexico breidde hij zijn titel meteen uit met ‘Beschermer van Mexico’ en riep hij Napoleon III op het matje, maar die gaf niet thuis. Toen de Amerikaanse Burgeroorlog uitbrak, stuurde hij een telegram naar President Lincoln en naar Jefferson Davis, die toen president van de Zuidelijke Staten was, met de boodschap meteen naar San Francisco te komen om met hem te overleggen. Ze zijn er niet op ingegaan.

Om de plooien tussen de Verenigde Staten en Engeland glad te strijken vroeg hij koningin Victoria om met hem te huwen. Ook daar liep hij een blauwtje.

Maar ‘zijn’ brug kwam er wel

Zaterdag 30 januariln 1872 gaf hij, tot drie keer toe, het bevel geld in te zamelen om een brug te bouwen over de beroemde San Francisco Baai, tussen San Francisco en Oakland, liefst nog met een tunnel onder Goat Island, wat nu Yerba Buena island heet. De brug kwam er… in l936.

Meteen al klonk de roep om Norton I bij die brug te herdenken.

De ‘Ancient and Honourable Order of E Clampus Vitus’, een organisatie die zich inzet voor het behoud van het erfgoed van het Amerikaanse Westen, kwam in 1944 met een eerste plaquette, die echter niet op de brug werd aangebracht, maar aan een van de omliggende gebouwen. Bij herstellingswerken verdween de plaquette en dook pas in 2019 weer op.

In 2004 kwam door een artikel in de San Francisco Chronicle een beweging op gang die ijverde om het deel van de brug bij Oakland voortaan ‘The Emperor Norton Bridge’ te noemen, maar de regering ging er niet op in.

Hoe dan ook, Norton I zal nooit vergeten worden.

Op 8 januari 1880 stierf hij op straat aan een hartaanval. De kranten van San Francisco verschenen de volgende dag met een zwarte rouwband en in de stad hingen de vlaggen halfstok. Onder een stromende regen begeleidden tienduizenden Joshua Abraham Norton naar zijn laatste rustplaats.

De San Francisco Bulletin schreef op de dag van zijn begrafenis: ‘Hij heeft nooit iemand vermoord, nooit iemand beroofd, nooit iemand uit zijn vaderland verdreven en niemand de toegang ontzegd.’

En dit kan je niet van al zijn collega’s zeggen!

Fernand Dacquin, senior writer TM

(Noot: de bijgaande beelden zijn in ‘publiek domein’)


Zaterdag 16 januari

The Six Poor Travellers

We lopen, als reiziger, zo vaak aan borden, gedenkstenen, plaques, opschriften…  voorbij. En toch steekt er meestal een verrassend, leuk, ongewoon… (reis)verhaal achter.

 

Het stadje Rochester, in het graafschap Kent, zit sinds zijn ontstaan pal op de weg van Dover naar Londen. De meeste reizigers maken er nu, door het opgedrongen wegennet, een flinke bocht omheen en dat is jammer want Rochester is mooi. En Rochester kent een kleurrijke geschiedenis. Rochester Castle is zowat het schoolvoorbeeld voor wat de Normandiërs er na 1066 oprichtten. De kathedraal mag ook gezien worden en de knusse straatjes van de oude stad pakken je gewoon in.

Maar eeuwen terug kon je er als reiziger (zeg maar pelgrim) helemaal niet omheen. Je moest er gewoon dwars door, dat was de enige weg. Voor velen was het een welkome stop en een lang verwachte kans om een warm bad en dito eten te vinden. Maar niet voor iedereen.

 Als je nu in de High Street komt, in de schaduw van het kasteel, moet je even halt houden bij nummer 97. Met een onbenullige façade en een deurtje waar je best gebukt door gaat, en zes kleurloze vensters op de verdiepingen is de kans groot dat je er zo aan voorbij loopt.

Maar voor een ‘poor traveller’ was dit ooit de ‘place to be’.

Een stenen tablet boven de ingang zegt duidelijk waarom:

“RICHARD WATTS ESQ, BY HIS WILL DATED 22TH AUGUST 1579, FOUNDED THIS CHARITY FOR SIX POOR TRAVELLERS WHO NOT BEING ROGUES OR PROCTORS MAY RECEIVE GRATIS FOR ONE NIGHT LODGING, ENTERTAINING AND FOUR PENCE EACH…”

Richard Watts, gentleman, rogues and proctors…

Richard Watts werd geboren in Rochester in 1513. Toen hij 66 jaar later overleed had hij een behoorlijk fortuin bijeengeraapt en liet een lijst van prijswaardige eigendommen achter. In zijn testament volgde hij de oproep van zijn koningin, Elisabeth I, die er op gewezen had dat rijke lieden best wat van hun rijkdom mochten gebruiken om hospitalen, scholen, Hotels de Dieu, armenhuizen… te financieren.

Het parlement deed er nog een schepje bovenop en gaf aan dat rijke stinkerds in hun testament een jaarlijks bedrag moesten voorzien dat gebruikt zou worden om het leed van de armen te verlichten.

Watts had een briljant idee, hij had jarenlang vreemdelingen op weg naar Londen zien langskomen, die echter geen penny hadden voor wat eten of een bed voor één nacht. In zijn testament stelde hij dat een huis moest ingericht worden om zes arme reizigers voor één enkele nacht een eigen bed te geven, in een eigen kamertje. Daar bovenop moesten ze ’s avonds nog wat te eten krijgen en ’s anderendaags, om tien uur ’s morgen, elk vier penny’s in klinkende munt. De zaak opende in 1681.

Richard Watts, die zijn naam altijd liet volgen van het woord ‘gentleman’, stelde wel één voorwaarde: rogues, schurken dus, waren helemaal niet welkom. Maar ook ‘proctors’ werden uitgesloten. Het woord ‘proctor’ werd toen gebruikt om een bepaalde soort bedelaars aan te duiden. In die tijd was het voor, onder andere, lepralijders verboden om op straat te bedelen. Ze konden wel een soort ‘huurling’ onder de arm nemen die het voor hen zou doen. Deze, zogeheten proctors, moesten wel altijd een bewijsje kunnen voorleggen, maar bewijsjes waren in die tijd nog gemakkelijker te krijgen dan vandaag. Het aantal valse proctors was dus niet bij te houden, en het was dus veiliger om ze allemaal uit te sluiten.

Six rooms for six ‘poor travellers’

Er was elke dag wel één probleempje: er waren altijd meer dan zes kandidaten. Uiteindelijk was het de taak van de burgemeester (of een plaatsvervanger) om er de zes armste uit te plukken. Daarom moesten iedereen zich om zes uur bij hem melden. De zes gelukkigen kregen daar een ticket en moesten zich dan naar ’the house’ reppen, want om zeven uur werd het gratis, gezamenlijk diner opgediend: tweehonderd gram vlees, een broodje en een kop koffie. Gezien ze toch maar één nacht mochten blijven was variatie in de kaart niet nodig. Om tien uur ’s morgens konden ze vertrekken en kregen hun vier pence mee.

Omdat het de burgemeester wellicht de keel uithing, voerde hij op het einde van de negentiende eeuw  de functie  ‘Poor Traveller Inspector’ in. Die had als taak de kandidaat-slapers grondig te screenen.

Uit de toen bijgehouden lijsten weten we dat die ‘arme stakkerds’ niet enkel uit heel Europa kwamen, maar ook uit India, Australië, Nieuw Zeeland… In 1934, 355 jaar na de oprichting, besliste een comité dat een indexaanpassing op zijn plaats was en trok de vier pence op naar twaalf.

Zes jaar later zou het ‘Poor Travellers’ huis, definitief sluiten. De tweede wereldoorlog hield alle poor travellers weg.

‘Christmas’ met Charles Dickens

Eén keer per jaar, op kerstavond, was het feest voor de ‘six poor travellers’ die het geluk hadden net toen in het huis te zijn. Want er was altijd wel een gefortuneerde burger in de stad die dan een heel kerstmaal aanbood en die avond samen met de travellers en de burgemeester dineerde.

Charles Dickens was een van hen. In zijn prachtig kortverhaal ‘The Seven Poor Travellers’ brengt hij een kleurrijk verslag van het hele gebeuren.

‘Strictly speaking, there were only six Poor Travellers;’ begint hij, ‘but, being a Traveller myself, though an idle one, and being withal as poor as I hope to be, I brought the number up to seven. This word of explanation is due at once, for what says the inscription over the quaint old door? …for Six poor Travellers, who not being rogues, or proctors…

“Now,” said I to myself, as I looked at the knocker, “I know I am not a Proctor; I wonder whether I am a Rogue!”

En wie vraagt zich dat laatste soms ook niet eens af?

Tekst en foto’s: Fernand Dacquin, senior writer Travel Magazine

Comments