Bestemmingen

Nothing To See Here

Zaterdag 27 februari

The famous Crabstane

Op de hoek aan Langstane Place en Bon Accord Terrace in Aberdeen vind je een restaurantje met de niet al te verleidelijke naam ‘The Spiritualist’. Net ernaast, aan een onooglijk muurtje rond een binnenkoer, hangt een kleine gedenkplaat met de begintekst: THE CRABSTANE.

BOUNDARY STONE ON LANDS BELONGING TO JOHN CRAB, BAILLIE OF THE BURGH IN 1314…

En daaronder nog twee verwijzingen naar schermutselingen tussen rivaliserende clans die het hier ter plaatse uitvochten. Onder de plaat is een verweerd rotsblok ingemetseld. Dit is de bewuste Crabstane (uitspreken: Crabsteen). Ooit duidde de steen daar een hoekpunt aan van de eigendom van een zekere John Crab, blijkbaar een respectabel inwoner van Aberdeen. Deze plaats, toen nog ver buiten de stad, ligt nu helemaal omringd door de grauwgrijze gebouwen van de ‘Granietstad’ Aberdeen.

Voorbijgangers lopen er ongeïnteresseerd langs. Niemand kijk maar even op.

Naar Sint Anna ter Muiden

Op zoek naar deze John Crab moeten we achthonderd kilometer naar het zuiden en zevenhonderdveertig jaar terug in de tijd. In Mude (nu Sint Anna ter Muiden, net over de Nederlandse grens, maar toen volop in Vlaanderen) werd rond 1280 ene Johan Crabbe geboren. Hij zou geschiedenis maken als zeerover, admiraal, ingenieur, koninklijk raadgever, moordenaar, weldoener, overloper en ereburger. En ‘beroemd’ worden als John Crab. Geef toe: een indrukwekkend cv.

Sint Anna ter Muiden is nu een heel fotogeniek plekje, met zo’n vijftig inwoners weliswaar slechts een zakdoek groot, dat niet kan ontbreken bij fiets- of wandeltocht in Zeeuws-Vlaanderen. Eén straatje, dat er het stille Marktplein kruist, heet ‘Haven’. In de tijd van Crabbe was dit een hele drukke plaats. Een echte haven.

In 1134 kende het gebied een hevige stormvloed. Het woeste water drong het land binnen. Toen alle geweld ging liggen, bleef een uitgestrekte, met eilanden, slikken en schorren gevulde, delta over: het Zwin, aan de monding meer dan vijf kilometer breed. Een van de vele kreken slingerde zich tot in het plaatsje dat later Damme zou heten, daar bleven de zeeschepen hangen omwille van ‘verder te ondiep’. Brugge liet meteen een kanaal tot in Damme graven: de nieuwe Reie. Gent en andere steden volgden dit voorbeeld en zochten via Damme een nieuwe uitweg naar de zee. Het Zwin, die grillige watermassa, werd meteen een van de belangrijkste poorten om goederen en mensen naar Vlaanderen te brengen. Aan de oevers ontstonden havens zoals Sint Anna ter Muiden, Oostburg, Damme en Sluis. Samen met Damme groeide Mude uit tot belangrijke voorhavens van Brugge. In die voorhavens werden de goederen overgeladen op kleine schepen die wel tot in het binnenland verder konden. Specerijen, goud- en zilverwerk, wol, pelzen, koren, leder, wijn, zijde, zout, tin, koper, olie… alle invoer passeerde eerst door de handen van kerels uit Mude, Damme… En daar hoorde Johan Crabbe bij. Alleen had hij een heel ander idee over de verwerking ervan.

Crabbe schiet in actie

Voor het levensverhaal van Johan Crabbe moeten we af en toe een sprongetje in de tijd maken, er is niet zo veel beschreven.

Vrij jong nog koos Crabbe voor iets heel anders dan laden en lossen van goederen: hij ronselde een team zware jongens, tikte een schip op de kop en ging de zee op, op zoek naar rijk beladen schepen.

Met succes. We weten dat hij in 1305 het schip De Waardebourc kon veroveren, wat hem een buit van 160 vaten wijn en een bende zeelui opleverde. Die laatste zou hij wel als slaaf verkocht krijgen.

De koning van Frankrijk gaf meteen aan Robrecht van Bethune, graaf van Vlaanderen, te kennen dat hij die zeerovers moest opsporen en indien mogelijk radbraken. Maar Crabbe was nergens te vinden. Vijf jaar later horen weer van hem. Nu is het de Engelse koning Edward die bij de graaf komt klagen.

Crabbe en zijn bende hadden, tussen Wissant en Dover, een Engels schip met onder andere juwelen, edelstenen, goud leeg gemaakt.

Blijkbaar was zijn project verder uitgewerkt en kon hij zijn onderneming succesvol noemen. En dat kwam vooral door zijn vindingrijkheid. Hij ontwierp en bouwde kunstige katapulten waarmee hij enorme rotsblokken vanop zijn schip kon schieten naar zijn prooien. Dat werkte veel sneller en veiliger dan enteren en een mam-aan-man-gevecht aan te gaan. Het zou hem tevens de titel ‘ingenieur’ opleveren. Er kwamen nog meer klachten over Crabbe en zijn bende (er was ook sprake van moord), maar ook hier kreeg de graaf hem niet te pakken. Hij was nergens te vinden.

In 1311 duikt hij op in Aberdeen, een ideale plaats, ver van de woede van Vlaanderen en ver van die van Engeland. Aberdeen was overigens een goede uitvalbasis voor zeeroverij. Je vond dan ook veel Vlaamse ‘handelaars’ in Aberdeen. Met zijn team overviel hij lustig een reeks met wol beladen Engelse schepen. Die wol zou via-via Vlaanderen wel bereiken, maar de opbrengst zou uiteindelijk naar Crabbe en zijn team gaan. Hij werd ter plaatse rijk en gewaardeerd.

Van zeerover tot admiraal

Van 1315 tot 1317 zorgde heel slacht weer voor voedseltekort in Vlaanderen. Graaf Robrecht van Bethune zocht wanhopig naar oplossingen en ging zo ver dat hij aan de Vlaamse piraten opdracht gaf, om in zijn naam, zo veel mogelijk Engelse en Franse schepen die voedselvoorraden aan boord hadden te enteren, de inboedel in beslag te nemen en naar Vlaanderen te brengen. Zoiets is Johan Crabbe, die nog steeds in Schotland zit, toch op zijn lijf geschreven. Hij hapt toe en komt naar Vlaanderen. Niettegenstaande zijn reputatie, wandelt hij hier langs de grote poort weer binnen.

Hij wordt door de graaf met open armen ontvangen. Robrecht stelt hem, in samenspraak met de steden Brugge en Gent, meteen een flinke vloot ter beschikking. Dat kon Johan Crabbe volop waarderen, en het feit dat hij tot admiraal werd benoemd nam hij er graag bij.

We beschikken over weinig details, maar hij moet er een erezaak van gemaakt hebben, want zowel de Engelse als de Franse koning gaven aan de graaf te kennen dat ze hem zo snel mogelijk gevierendeeld wilden zien. Maar ook hier stond de graaf weer machteloos. Crabbe verdween opnieuw.

Van admiraal naar ingenieur en overloper

Rond 1318 vinden we hem terug in Berwick-upon-Tweed, een havenplaats aan de oostkust van Groot-Brittannië, precies op de (wat onduidelijke) grens tussen Schotland en Engeland. Twee landen die het met elkaar niet kunnen vinden. Maar dit was wel de toegangspoort tot Schotland. Tot welk land de stad behoorde hing af van wie laatst de burcht veroverde. Niet te verwonderen dat Schotten en Engelsen er met vaste regelmaat voor vochten. Vanuit het (toen Schotse) Berwick kon Crabbe rustige verder gaan met het leegroven van Engelse schepen. Intussen had hij zijn reputatie als bedenker en producer van ‘modern’ oorlogsmateriaal ook alle eer aangedaan en schopte het zelfs tot poorter van de stad. Bij een aanval op de burcht door de Engelsen in 1319 konden de Schotten volop gebruik maken van Crabbe’s katapulten om de vijand te bekogelen met rotsblokken, brandende vaten, rottende kadavers… en als winnaar uit de slag te komen. Als dank voor zijn inbreng schonk koning Robert the Bruce hem gronden en eigendommen op verschillende plaatsen in Schotland. Hij werd ereburger van Aberdeen benoemd en commissaris van het parlement. Hij zat er warmpjes in een deed ook schenkingen aan scholen en ziekenhuizen.

In 1332 brak echter een nieuwe oorlog tussen Engeland en Schotland uit en Crabbe werd door de Engelsen gevangengenomen. Listig als hij was, wist hij de Engelse koning Edward III te overtuigen om hem in dienst te nemen in plaats van hem op te hangen.

Bij de daaropvolgende schermutselingen streed Crabbe dan ook volop mee aan de kant van de Engelsen en konden ze gebruik maken van zijn geniale werptoestellen. We vinden zijn naam dan ook terug in de verslagen van latere oorlogen waar de Engelsen zo creatief in waren: de 100-Jarige Oorlog, de Slag bij Sluis, enz.

Tot in 1352.

Johan Crabbe, beter gekend als John Crab, door sommigen bejubeld maar door velen gevreesd, overleed in Somerton Castle in buurt van Lincoln. De Engelsen hadden hem de voogdij en de opbrengsten van die kasteel cadeau gedaan.

Alleen de onopvallende Crabstane in Aberdeen herinnert nog aan hem. En geef toe: daar kom je niet ver mee.

 

Tekst en foto’s: Fernand Dacquin, senior writer TM

 

 


 

Zaterdag 13 februari

Stroma, het rijk der schapen

Aan de rand van een drassig grasland, naast wat ooit een wegje was, staan we bij een ruw gemetseld, anderhalve meter hoog muurtje met daarop een kruis en een bronzen plaat, zowat een A4-tje groot, met: ‘TO THE GLORY OF GOD AND THE MEMORY OF THE MAN OF THIS ISLAND WHO GAVE THEIR LIVES…’. Daaronder twaalf namen, zes voor elke ‘Great War’.

Twee keer de ‘Sinclair’, drie keer ‘Smith’, verder nog Campbell, Falconer, McAdie, Manson, Dundas en Robertson. Indien niet uit één familie, dan toch dichte buren.

‘We remember them’. Het voelt heel vreemd aan als je dat leest op een muurtje ‘in the middle of nowhere’ op een onbewoond eiland.

We staan op het eiland Stroma, ten noorden van het Schotse vasteland, zowat vijf kilometer ten noordwesten van John o’Groats. William Simpson, de eigenaar van het eiland, had ons vanuit Gills Bay naar daar gebracht. Zijn puffend bootje ‘Boy James’ was duidelijk andere passagiers gewoon: schapen. ‘Weather permitting’ had hij vooraf meerdere keren duidelijk gezegd, want het water waar we door moesten, de ‘Penthland Firth’, is zowat een van de gevaarlijkste plaatsen in de Noordzee, vol verrassende stromingen en draaikolken en vooral het eerste doelwit van elk type bar weer.

In de annalen lezen we dat bij stormweer de waterstand in het westen van het eiland vaak vier meter hoger was dan in het oosten. Net voor de noordpunt van het eiland zorgt draaikolk Swilkie voor enorme problemen. Een storm bracht er in 1862 golven van meer dan dertig meter hoog.

Heel wat mannen op Stroma kenden de gevaren van de Pentland Firth. Ze vonden dan ook een inkomen door als ervaren loods de schepen waarvan de bemanning deze plek niet kende, aan boord bij te staan. Tussen 1830 en 1990 raakten zo’n 600 schepen in moeilijkheden in die Pentland Firth. Zij die op de rotsen van Stroma eindigden, werden door de bevolking ’met open armen’ ontvangen. Uit de wrakken haalden ze het hout en de achtergebleven goederen.

Onlangs nog liep een Schotse visser op de rotsen, maar er was niemand meer om hem te verwelkomen.

Een eiland dat niemand wilt

William Simpson: ”Mijn vader kocht het eiland, vierhonderd hectare groot, in 1961. Toen woonde er nog een twaalftal mensen, maar iedereen wist dat het niet lang meer zou duren. Hij wilde het niet verloren laten gaan en kocht het in een zotte bui. Mijn moeder schrok zich dood toen ze het vernam.”

Heel impulsief van de man, maar je laat niet sollen met een eiland waarop je, zoals hij, geboren bent.

Vader Simpson kocht het eiland van William Hoyland, eigenaar van een bekend bedrijf dat regenschermen produceerde. Die wilde het eiland kwijt. Veel kandidaat-kopers waren er niet en zelfs de Britse regering maakte zich zorgen en zocht mee naar een oplossing.

Men bedacht heel wat plannen voor het eiland, de regering had nood aan een gevangenis en misschien was dit wel een buitenkans. Maar dat ging niet door. Later werd het idee ‘crematorium’ naar voor geschoven, maar daarvoor waren geen kandidaten te vinden. Iemand kwam met het idee ‘nudistenkamp’ aandraven, maar de nuchtere Schotten wezen even naar het klimaat en op het feit dat die 60° noorderbreedte van Stroma ook dwars door Alaska en Sint-Petersburg loopt. Neen dus.

Ten einde raad stelde Hoyland in 1958 aan de Amerikaanse zender CBS voor om het eiland als prijs te gebruiken in de toen populaire tv-quiz ‘Bid ‘n’ Buy’. Er kwam zo veel protest uit Schotland en de VS dat CBS tussendoor besloot de prijs te vervangen door een auto.

Stroma bleef dus te koop tot vader Simpson langskwam.

William Simpson: “In de zomer, dan kan het heel mooi zijn op het eiland. ‘But very hard in winter’.

We hadden vroeger runderen op het eiland, maar die waren te moeilijk om op te volgen en dus houden we het nu bij schapen. Ze blijven het hele jaar op het eiland, ook tijdens de harde winters. In de lente kan het een paar weken heel zacht zijn en dan is het tijd voor de lammetjes, dan zijn we vaker op het eiland. We houden meer dan zevenhonderd schapen op Stroma, niet voor de wol want daar valt niet veel mee te verdienen, maar voor het vlees.”

De haven bracht redding

Rond 1950 bezat het eiland nog altijd een schooltje, een winkeltje en zelfs eigen postzegels. Eén belangrijke zaak ontbrak: een haventje. Een bootje dat, bij gunstig weer, de overtocht haalde moest noodgedwongen op het keienstrand worden getrokken.

De regering, die met lede ogen toezag hoe het eiland langzaamaan leegliep, besloot tot de bouw van een kleine haven. Van dit project zou ook gebruik gemaakt worden om werkgelegenheid te creëren voor de eilanders zelf en hen daarvoor goed te betalen zodat ze later nieuwe initiatieven konden nemen. De werken startten in 1955. De eilanders werkten hard mee. En werden goed betaald.

Zo goed zelfs dat velen onder hen voldoende konden sparen om het eiland achter zich te laten en zich op het vasteland te gaan vestigen.

De thuisblijvers waren niet talrijk genoeg om het eiland leefbaar te houden. Winkeltje dicht, schooltje dicht… Eén na een vertrokken ze en alleen de vuurtorenwachters en hun gezin bleven achter.

Toen de vuurtoren in 1997 werd geautomatiseerd trokken ook zij de deur dicht.

De laatste van Stroma

Catherine Byrne is de laatste persoon op Stroma geboren. In 1957, in een ’croftje’ aan de zuidoostkant van het eiland. We vinden haar in de havenplaats Wick aan de noordoostkust van het Schotse vasteland. Ze schrijft boeken over het leven op de eilanden en is een boeiend verteller.

“Thuis geboren worden was een gangbare zaak, alleen als er verwikkelingen waren, gebeurde het op het vasteland. Er was geen dokter op het eiland, wel een verpleegster. Bij erge aandoeningen moest een dokter overkomen van het vasteland. Vóór de radiotelefoon er kwam, hing iedereen een wit laken buiten zodat men van op het vasteland kon zien dat er een dokter nodig was. Vaak was de zee zo woest dat het nog een weekje duurde eer hij de overtocht kon maken.

Stroma was een heel gesloten gemeenschap. Iedereen kende iedereen, de meesten behoorden zelfs tot dezelfde drie of vier families. We waren dus volledig op elkaar aangewezen, vooral in de winter. Mijn vader was visser en hielp als vuurtorenwachter. We hadden ook wat schapen, en kweekten maïs en andere gewassen. Omwille van de vuurtoren bleven wij langer op het eiland. Veel eilanders konden zich intussen een ‘landverhuizing’ financieel permitteren en trokken naar Wick. Een leeg huisje op Stroma kon je op de duur kopen voor twintig pond! Ik verliet Stroma toen ik bijna tien was.”

Het kerkhof van Stroma ligt op de zuidoostpunt van het eiland.

Een slordige omheining houdt er de schapen buiten. De grafstenen zijn overwoekerd en de opschriften moeilijk leefbaar. Ik zoek de namen die ik ook op het bronzen plaatje vond. Sinclair, Robertson… het is zoekwerk. Maar de verscheidenheid is niet groot. Eén grote familie.

In de hoek van het kerkhof staat een vierkante toren: het mausoleum van de familie Kennedy of Carmuck, die het eiland in de zeventiende eeuw bezat.

Het gebouw ligt er vervallen bij en de inhoud is volledig verdwenen, maar dit was ooit de topattractie van het eiland. Het zoutgehalte in de lucht zorgde er namelijk voor dat de lichamen die er begraven werden mummificeerden. Een van de nakomelingen Murdoch Kennedy’s had in de achttiende eeuw de gewoonte om met het lichaam van zijn vader een kleine, grappige voorstelling te geven als toeristen langskwamen.

Toeristen komen er vandaag niet zo vaak langs. Maar William Simpson brengt je er met plezier naartoe. Je wordt er telkens verwelkomd door een kolonie zeehonden, een kudde schapen en wat schuwe zeevogels. Maar ze laten je meteen aan je lot over. Je hebt het eiland weer helemaal voor jou alleen. Zalig.

Vreemd dat je dan toch weer even gaat stilstaan bij dat muurtje met de bronzen plaat.

Tekst en foto’s: Fernand Dacquin, senior writer TM

 


Zaterdag 30 januari

“De keizer van de Verenigde Staten”

Het Salesforce Transit Center in San Francisco, California, lijkt echt niet op een busstation waar de vele maatschappijen hun stopplaats hebben. De ‘Grand Hall’, het hart ervan lijkt meer op een hypermoderne ‘mall’ met daarrond, binnenshuis, drie verdiepingen met brede rijbanen en bushaltes. Op het dak een enorm park, meer dan vijf hectare groot, met zeshonderd bomen,16.000 botanische planten en rustplaatsen vol knusse banken. Men kan er dus de bus nemen, maar ook midden in de stad lekker wegdromen in de natuur. Je bent er op zo’n vijfhonderd meter van de fameuze San Francisco Bay en van de legendarische San Francisco-Oakland Bay Bridge.

Het is wat zoeken, maar in het gebouw, op de derde verdieping in de buurt van de Greyhound-stopplaats hangt sinds november 2019 een opmerkelijke gedenkplaat, die zegt:

 PAUSE TRAVELLER AND BE GREATFUL TO NORTON I, EMPEROR OF THE UNITED STATES AND PROTECTOR OF MEXICO, WHOSE PROFETIC WISDOM CONCEIVED AND DECREED THE BRIDGING OF SAN FRANCISCO BAY…

De tekst verwijst naar een verordening uitgevaardigd door Joshua Abraham Norton, die zichzelf tot Keizer van de Verenigde Staten had uitgeroepen door op 17 september 1859 even aan te kloppen bij de krant ‘San Francisco Bulletin’ met verzoek zijn tekst te publiceren. Hij schreef: ‘Op het dwingende verzoek en de wens van een grote meerderheid van de burgers van deze Verenigde Staten, ik, Joshua Norton, verklaar en noem mezelf keizer van deze Verenigde Staten.’

De redactie vond het leuk en zette het op ‘de één’. De bal ging aan het rollen. Een week later volgde een nieuw decreet: ‘Fraude en corruptie verhinderen een eerlijke en juiste uiting van de publieke stem… als gevolg waarvan we hierbij besluiten het Congres af te schaffen.” En om het af te ronden gooide hij ook de president buiten en besloot alleen verder te regeren.

Keizerlijke waardigheid

De Bulletin publiceerde zijn keizerlijk bericht: ‘Het is ons, Keizer Norton l, ter ore gekomen dat de onderdanen de toestand van het Keizerlijk Uniform een schande voor de natie vinden.’

Een van de grootste couturiers van San Francisco zorgde voor een nieuw pak voor de keizer.

De tram- en treinmaatschappijen gaven hem een levenslang gratis ticket. ln de theaters van de stad had hij een vaste (gratis) stoel en in de beste restaurants werd hem nooit een rekening aangeboden. Toen een overijverige agent hem op een dag oppakte wegens landloperij, scheelde het geen haar of er brak een algemene staking uit in San Francisco.

Het ontbrak hem eigenlijk enkel maar aan zakgeld. Zoals elke machthebber greep hij naar ‘belastingen’. Er verscheen een publicatie (van zijn hand, natuurlijk) waarbij banken hem wekelijks drie dollar moesten betalen en eigenaars van onroerende goederen voor 25 cent werden belast. Hij ging die belastingen persoonlijk incasseren en iedereen betaalde zonder morren. In 1871 vond hij het beter om zijn eigen geld te drukken en vond een vakman om dat voor hem te doen. Het werd meteen een gangbare munt en is nog steeds een gezocht collectors item.

Hoewel het er in de wereld nog onstuimig aan toe ging verliep zijn regeerperiode zonder veel problemen. Bij de Franse interventie in Mexico breidde hij zijn titel meteen uit met ‘Beschermer van Mexico’ en riep hij Napoleon III op het matje, maar die gaf niet thuis. Toen de Amerikaanse Burgeroorlog uitbrak, stuurde hij een telegram naar President Lincoln en naar Jefferson Davis, die toen president van de Zuidelijke Staten was, met de boodschap meteen naar San Francisco te komen om met hem te overleggen. Ze zijn er niet op ingegaan.

Om de plooien tussen de Verenigde Staten en Engeland glad te strijken vroeg hij koningin Victoria om met hem te huwen. Ook daar liep hij een blauwtje.

Maar ‘zijn’ brug kwam er wel

Zaterdag 30 januariln 1872 gaf hij, tot drie keer toe, het bevel geld in te zamelen om een brug te bouwen over de beroemde San Francisco Baai, tussen San Francisco en Oakland, liefst nog met een tunnel onder Goat Island, wat nu Yerba Buena island heet. De brug kwam er… in l936.

Meteen al klonk de roep om Norton I bij die brug te herdenken.

De ‘Ancient and Honourable Order of E Clampus Vitus’, een organisatie die zich inzet voor het behoud van het erfgoed van het Amerikaanse Westen, kwam in 1944 met een eerste plaquette, die echter niet op de brug werd aangebracht, maar aan een van de omliggende gebouwen. Bij herstellingswerken verdween de plaquette en dook pas in 2019 weer op.

In 2004 kwam door een artikel in de San Francisco Chronicle een beweging op gang die ijverde om het deel van de brug bij Oakland voortaan ‘The Emperor Norton Bridge’ te noemen, maar de regering ging er niet op in.

Hoe dan ook, Norton I zal nooit vergeten worden.

Op 8 januari 1880 stierf hij op straat aan een hartaanval. De kranten van San Francisco verschenen de volgende dag met een zwarte rouwband en in de stad hingen de vlaggen halfstok. Onder een stromende regen begeleidden tienduizenden Joshua Abraham Norton naar zijn laatste rustplaats.

De San Francisco Bulletin schreef op de dag van zijn begrafenis: ‘Hij heeft nooit iemand vermoord, nooit iemand beroofd, nooit iemand uit zijn vaderland verdreven en niemand de toegang ontzegd.’

En dit kan je niet van al zijn collega’s zeggen!

Fernand Dacquin, senior writer TM

(Noot: de bijgaande beelden zijn in ‘publiek domein’)


Zaterdag 16 januari

The Six Poor Travellers

We lopen, als reiziger, zo vaak aan borden, gedenkstenen, plaques, opschriften…  voorbij. En toch steekt er meestal een verrassend, leuk, ongewoon… (reis)verhaal achter.

 

Het stadje Rochester, in het graafschap Kent, zit sinds zijn ontstaan pal op de weg van Dover naar Londen. De meeste reizigers maken er nu, door het opgedrongen wegennet, een flinke bocht omheen en dat is jammer want Rochester is mooi. En Rochester kent een kleurrijke geschiedenis. Rochester Castle is zowat het schoolvoorbeeld voor wat de Normandiërs er na 1066 oprichtten. De kathedraal mag ook gezien worden en de knusse straatjes van de oude stad pakken je gewoon in.

Maar eeuwen terug kon je er als reiziger (zeg maar pelgrim) helemaal niet omheen. Je moest er gewoon dwars door, dat was de enige weg. Voor velen was het een welkome stop en een lang verwachte kans om een warm bad en dito eten te vinden. Maar niet voor iedereen.

 Als je nu in de High Street komt, in de schaduw van het kasteel, moet je even halt houden bij nummer 97. Met een onbenullige façade en een deurtje waar je best gebukt door gaat, en zes kleurloze vensters op de verdiepingen is de kans groot dat je er zo aan voorbij loopt.

Maar voor een ‘poor traveller’ was dit ooit de ‘place to be’.

Een stenen tablet boven de ingang zegt duidelijk waarom:

“RICHARD WATTS ESQ, BY HIS WILL DATED 22TH AUGUST 1579, FOUNDED THIS CHARITY FOR SIX POOR TRAVELLERS WHO NOT BEING ROGUES OR PROCTORS MAY RECEIVE GRATIS FOR ONE NIGHT LODGING, ENTERTAINING AND FOUR PENCE EACH…”

Richard Watts, gentleman, rogues and proctors…

Richard Watts werd geboren in Rochester in 1513. Toen hij 66 jaar later overleed had hij een behoorlijk fortuin bijeengeraapt en liet een lijst van prijswaardige eigendommen achter. In zijn testament volgde hij de oproep van zijn koningin, Elisabeth I, die er op gewezen had dat rijke lieden best wat van hun rijkdom mochten gebruiken om hospitalen, scholen, Hotels de Dieu, armenhuizen… te financieren.

Het parlement deed er nog een schepje bovenop en gaf aan dat rijke stinkerds in hun testament een jaarlijks bedrag moesten voorzien dat gebruikt zou worden om het leed van de armen te verlichten.

Watts had een briljant idee, hij had jarenlang vreemdelingen op weg naar Londen zien langskomen, die echter geen penny hadden voor wat eten of een bed voor één nacht. In zijn testament stelde hij dat een huis moest ingericht worden om zes arme reizigers voor één enkele nacht een eigen bed te geven, in een eigen kamertje. Daar bovenop moesten ze ‘s avonds nog wat te eten krijgen en ‘s anderendaags, om tien uur ‘s morgen, elk vier penny’s in klinkende munt. De zaak opende in 1681.

Richard Watts, die zijn naam altijd liet volgen van het woord ‘gentleman’, stelde wel één voorwaarde: rogues, schurken dus, waren helemaal niet welkom. Maar ook ‘proctors’ werden uitgesloten. Het woord ‘proctor’ werd toen gebruikt om een bepaalde soort bedelaars aan te duiden. In die tijd was het voor, onder andere, lepralijders verboden om op straat te bedelen. Ze konden wel een soort ‘huurling’ onder de arm nemen die het voor hen zou doen. Deze, zogeheten proctors, moesten wel altijd een bewijsje kunnen voorleggen, maar bewijsjes waren in die tijd nog gemakkelijker te krijgen dan vandaag. Het aantal valse proctors was dus niet bij te houden, en het was dus veiliger om ze allemaal uit te sluiten.

Six rooms for six ‘poor travellers’

Er was elke dag wel één probleempje: er waren altijd meer dan zes kandidaten. Uiteindelijk was het de taak van de burgemeester (of een plaatsvervanger) om er de zes armste uit te plukken. Daarom moesten iedereen zich om zes uur bij hem melden. De zes gelukkigen kregen daar een ticket en moesten zich dan naar ‘the house’ reppen, want om zeven uur werd het gratis, gezamenlijk diner opgediend: tweehonderd gram vlees, een broodje en een kop koffie. Gezien ze toch maar één nacht mochten blijven was variatie in de kaart niet nodig. Om tien uur ‘s morgens konden ze vertrekken en kregen hun vier pence mee.

Omdat het de burgemeester wellicht de keel uithing, voerde hij op het einde van de negentiende eeuw  de functie  ‘Poor Traveller Inspector’ in. Die had als taak de kandidaat-slapers grondig te screenen.

Uit de toen bijgehouden lijsten weten we dat die ‘arme stakkerds’ niet enkel uit heel Europa kwamen, maar ook uit India, Australië, Nieuw Zeeland… In 1934, 355 jaar na de oprichting, besliste een comité dat een indexaanpassing op zijn plaats was en trok de vier pence op naar twaalf.

Zes jaar later zou het ‘Poor Travellers’ huis, definitief sluiten. De tweede wereldoorlog hield alle poor travellers weg.

‘Christmas’ met Charles Dickens

Eén keer per jaar, op kerstavond, was het feest voor de ‘six poor travellers’ die het geluk hadden net toen in het huis te zijn. Want er was altijd wel een gefortuneerde burger in de stad die dan een heel kerstmaal aanbood en die avond samen met de travellers en de burgemeester dineerde.

Charles Dickens was een van hen. In zijn prachtig kortverhaal ‘The Seven Poor Travellers’ brengt hij een kleurrijk verslag van het hele gebeuren.

‘Strictly speaking, there were only six Poor Travellers;’ begint hij, ‘but, being a Traveller myself, though an idle one, and being withal as poor as I hope to be, I brought the number up to seven. This word of explanation is due at once, for what says the inscription over the quaint old door? …for Six poor Travellers, who not being rogues, or proctors…

“Now,” said I to myself, as I looked at the knocker, “I know I am not a Proctor; I wonder whether I am a Rogue!”

En wie vraagt zich dat laatste soms ook niet eens af?

Tekst en foto’s: Fernand Dacquin, senior writer Travel Magazine

Comments