Bestemmingen

Nothing To See Here

The Six Poor Travellers

We lopen, als reiziger, zo vaak aan borden, gedenkstenen, plaques, opschriften…  voorbij. En toch steekt er meestal een verrassend, leuk, ongewoon… (reis)verhaal achter.

 

Het stadje Rochester, in het graafschap Kent, zit sinds zijn ontstaan pal op de weg van Dover naar Londen. De meeste reizigers maken er nu, door het opgedrongen wegennet, een flinke bocht omheen en dat is jammer want Rochester is mooi. En Rochester kent een kleurrijke geschiedenis. Rochester Castle is zowat het schoolvoorbeeld voor wat de Normandiërs er na 1066 oprichtten. De kathedraal mag ook gezien worden en de knusse straatjes van de oude stad pakken je gewoon in.

Maar eeuwen terug kon je er als reiziger (zeg maar pelgrim) helemaal niet omheen. Je moest er gewoon dwars door, dat was de enige weg. Voor velen was het een welkome stop en een lang verwachte kans om een warm bad en dito eten te vinden. Maar niet voor iedereen.

 Als je nu in de High Street komt, in de schaduw van het kasteel, moet je even halt houden bij nummer 97. Met een onbenullige façade en een deurtje waar je best gebukt door gaat, en zes kleurloze vensters op de verdiepingen is de kans groot dat je er zo aan voorbij loopt.

Maar voor een ‘poor traveller’ was dit ooit de ‘place to be’.

Een stenen tablet boven de ingang zegt duidelijk waarom:

“RICHARD WATTS ESQ, BY HIS WILL DATED 22TH AUGUST 1579, FOUNDED THIS CHARITY FOR SIX POOR TRAVELLERS WHO NOT BEING ROGUES OR PROCTORS MAY RECEIVE GRATIS FOR ONE NIGHT LODGING, ENTERTAINING AND FOUR PENCE EACH…”

Richard Watts, gentleman, rogues and proctors…

Richard Watts werd geboren in Rochester in 1513. Toen hij 66 jaar later overleed had hij een behoorlijk fortuin bijeengeraapt en liet een lijst van prijswaardige eigendommen achter. In zijn testament volgde hij de oproep van zijn koningin, Elisabeth I, die er op gewezen had dat rijke lieden best wat van hun rijkdom mochten gebruiken om hospitalen, scholen, Hotels de Dieu, armenhuizen… te financieren.

Het parlement deed er nog een schepje bovenop en gaf aan dat rijke stinkerds in hun testament een jaarlijks bedrag moesten voorzien dat gebruikt zou worden om het leed van de armen te verlichten.

Watts had een briljant idee, hij had jarenlang vreemdelingen op weg naar Londen zien langskomen, die echter geen penny hadden voor wat eten of een bed voor één nacht. In zijn testament stelde hij dat een huis moest ingericht worden om zes arme reizigers voor één enkele nacht een eigen bed te geven, in een eigen kamertje. Daar bovenop moesten ze ‘s avonds nog wat te eten krijgen en ‘s anderendaags, om tien uur ‘s morgen, elk vier penny’s in klinkende munt. De zaak opende in 1681.

Richard Watts, die zijn naam altijd liet volgen van het woord ‘gentleman’, stelde wel één voorwaarde: rogues, schurken dus, waren helemaal niet welkom. Maar ook ‘proctors’ werden uitgesloten. Het woord ‘proctor’ werd toen gebruikt om een bepaalde soort bedelaars aan te duiden. In die tijd was het voor, onder andere, lepralijders verboden om op straat te bedelen. Ze konden wel een soort ‘huurling’ onder de arm nemen die het voor hen zou doen. Deze, zogeheten proctors, moesten wel altijd een bewijsje kunnen voorleggen, maar bewijsjes waren in die tijd nog gemakkelijker te krijgen dan vandaag. Het aantal valse proctors was dus niet bij te houden, en het was dus veiliger om ze allemaal uit te sluiten.

Six rooms for six ‘poor travellers’

Er was elke dag wel één probleempje: er waren altijd meer dan zes kandidaten. Uiteindelijk was het de taak van de burgemeester (of een plaatsvervanger) om er de zes armste uit te plukken. Daarom moesten iedereen zich om zes uur bij hem melden. De zes gelukkigen kregen daar een ticket en moesten zich dan naar ‘the house’ reppen, want om zeven uur werd het gratis, gezamenlijk diner opgediend: tweehonderd gram vlees, een broodje en een kop koffie. Gezien ze toch maar één nacht mochten blijven was variatie in de kaart niet nodig. Om tien uur ‘s morgens konden ze vertrekken en kregen hun vier pence mee.

Omdat het de burgemeester wellicht de keel uithing, voerde hij op het einde van de negentiende eeuw  de functie  ‘Poor Traveller Inspector’ in. Die had als taak de kandidaat-slapers grondig te screenen.

Uit de toen bijgehouden lijsten weten we dat die ‘arme stakkerds’ niet enkel uit heel Europa kwamen, maar ook uit India, Australië, Nieuw Zeeland… In 1934, 355 jaar na de oprichting, besliste een comité dat een indexaanpassing op zijn plaats was en trok de vier pence op naar twaalf.

Zes jaar later zou het ‘Poor Travellers’ huis, definitief sluiten. De tweede wereldoorlog hield alle poor travellers weg.

‘Christmas’ met Charles Dickens

Eén keer per jaar, op kerstavond, was het feest voor de ‘six poor travellers’ die het geluk hadden net toen in het huis te zijn. Want er was altijd wel een gefortuneerde burger in de stad die dan een heel kerstmaal aanbood en die avond samen met de travellers en de burgemeester dineerde.

Charles Dickens was een van hen. In zijn prachtig kortverhaal ‘The Seven Poor Travellers’ brengt hij een kleurrijk verslag van het hele gebeuren.

‘Strictly speaking, there were only six Poor Travellers;’ begint hij, ‘but, being a Traveller myself, though an idle one, and being withal as poor as I hope to be, I brought the number up to seven. This word of explanation is due at once, for what says the inscription over the quaint old door? …for Six poor Travellers, who not being rogues, or proctors…

“Now,” said I to myself, as I looked at the knocker, “I know I am not a Proctor; I wonder whether I am a Rogue!”

En wie vraagt zich dat laatste soms ook niet eens af?

Tekst en foto’s: Fernand Dacquin, senior writer Travel Magazine

Comments