Bestemmingen

Fanatieke Falklands

Meer dan 1 miljoen pinguïns, amper 4.500 inwoners, de grootte van pakweg de helft van Zwitserland, maar geen enkel verkeerslicht of bankautomaat. Wie het Engeland van de jaren tachtig zoekt, maar wil ondergedompeld worden in puur natuur en isolatie, komt op de Falklands terecht.

Per week kunnen vandaag zo’n 180 reizigers neerstrijken in de Falklands, want dat is de capaciteit van de Airbus van LATAM, vlucht 991, die eenmaal per week op zaterdag vanuit Santiago, via Punta Arenas, deze Britse eilanden aandoet. De rest moet zich tevreden stellen met een kort bezoekje over water per cruiseschip, of het proberen via de gemengd burgerlijk-militaire vluchten vanuit de RAF-basis Brize Norton in de UK. Mount Pleasant, de internationale IATA-luchthaven van de Falklands, is militair terrein. Dat merken we meteen wanneer we op een zomerse zaterdag -de temperatuur is tien graden- voet aan grond zetten. De ganse site is vergeven van ‘verboden te fotograferen’ borden en alles-wat-niet-mag waarschuwingen. Die komen ook in gedrukte vorm via een folder naar je toe. De do’s-and-don’ts  met daarin enkele opmerkelijke passages: oorlogsgevoeligheden. Het luchthavengebouw –die naam onwaardig– biedt plaats aan vijftig personen, en niet aan het drievoud. Het is een bonte mix die uit de Airbus stapt: vogelaars, wandelaars, nieuwsgierige wereldreizigers genre overal-geweest en Britten die familie bezoeken, aangevuld met loonwerkers uit Chili. Na een gammele bustocht van een uur nemen we onze intrek in het Malvina House Hotel dat zo Engels is als de paus katholiek. Vasttapijt, bloemetjesbehang en ’s morgens toast met Frank Cooper’s Oxford Original Marmalade. Eén ongerijmdheid: de bediening wordt verzorgd door drie Filipijnse seizoenarbeiders. ‘s Avonds loopt het restaurant eivol met luidruchtige eilanders die permanent hun weekend vieren. De hotelparking lijkt wel een showroom voor Land Rover, maar dan de ongewassen en geblutste tweedehandsversie. Stanley, de hoofdstad van de Falklands, huisvest trouwens de meest zuidelijke officiële Land Rover-dealer ter wereld. Wie hier een terreinwagen bestelt en niet uit stock wil kiezen, moet ongeveer dertig weken wachten, zal garagemanager James ons later vertellen.

Naar de koningen

Ken Morrisson haalt ons de volgende morgen bij stralend zonlicht op in zijn donkerblauwe Land Rover Defender. Onder de merknaam Carrot Tours –carrot is zijn bijnaam– neemt deze jonggepensioneerde automecanicien van 64 (attitude: alles is te herstellen met een Engelse sleutel en een ijzerdraad) reizigers mee op dagtocht. Vooral dan naar Volunteer Point, de beste locatie om drie soorten pinguïns te bekijken, waaronder een broedende kolonie koningspinguïns. Ken is hier geboren, maar zijn vader heeft Schotse roots op Lewis, een van de Outer Hebrides. De route naar Volunteer Point verloopt in twee delen: eerst een uurtje over genormaliseerde kiezelweg (uitgezonderd in Stanley zijn de weinige wegen op de Falklands onverhard), daarna een uurtje –alhoewel slechts 16 kilometer– cross-country driving. Want ook al komen hier dagelijks terreinwagens door, er is geen weg. Ieder heeft zo z’n parcours, vooral z’n gewoontes. Vastrijden is dagelijkse kost, maar de chauffeurs vinden het een vernedering, dus doen ze er alles voor om het te vermijden. Met het strand in zicht en nog amper twee kilometer te gaan, prijzen we Ken zijn rijkunsten. Te vroeg, want net dan boort hij zich vast in de oever van een riviertje. Dankzij de boordradio staat er binnen de tien minuten hulp en worden we amicaal losgetrokken. “Wacht tot we er zijn, ik ga door alle chauffeurs uitgelachen worden”, zegt Ken. “Want iedereen heeft het op de radio gehoord. Dat gaat me vanavond een rondje in de pub kosten.” Volunteer Point kan je moeilijk met woorden beschrijven. Duizenden koningspinguïns heten ons onder mooi licht maar strakke wind welkom. Onverstoord. De ene strijkt het verenkleed strak, de andere spuwt wat voorgekauwde vis in de bek van de kroost. Op dagen dat er een cruiseschip in Stanley aangemeerd is, en honderden geïnteresseerden naar dit strand afzakken, worden er touwen gespannen of witte stenen gelegd –zeg maar: de fluwelen koord– om de beestjes de nodige privacy te gunnen. Maar op een dag als vandaag, we tellen zes andere bezoekers, mag je vrij rondlopen. Volunteer Point is een van de weinige plaatsen ter wereld waar je koningspinguïns hun eieren ziet uitbroeden, een proces dat vijftig dagen duurt en waarbij het mannetje en het vrouwtje om beurten het ei op hun poten warmhouden. Lager, langs de vloedlijn, waar de gure wind flarden nevel van de golven laat opwaaien, zien we groepen ezelspinguïns waggelend op hun oranje poten uit de zee komen. “In 1971 waren er nog maar dertig volwassen koningspinguïns over op Volunteer Beach”, zegt Ken. “Maar dankzij beschermende maatregelen zijn dat er nu weer meer dan duizend.” Onder beschermend wordt hier verstaan dat de eilanders geen pinguïneieren meer eten, ooit een plaatselijke delicatesse. Op de terugweg maakt Ken nog een stop bij de restanten van een Argentijnse helikopter. Het toestel werd tijdens de Falklandoorlog door de Britten neergeschoten en de wrakstukken liet men ter plaatse gedijen. Een staaltje psychologische oorlogsvoering annex vernedering, net zoals de Vietnamezen nog dagelijks lachen met de Amerikaanse bezetter door in hartje Hanoi het landingsgestel van een neergehaalde B-52 als monument in een vijvertje  te verwerken.

Anderhalve eeuw ruzie

In 1810 erft het pas onafhankelijke Argentinië de Falkland-eilanden van de Spaanse kroon. Ze noemen ze ‘Islas Malvinas’, een van oorsprong Franse benaming: Îles Malouines, naar de Bretonse havenplaats Saint-Malo, waar de Franse ontdekkingsreizigers die hier ooit passeerden vandaan kwamen. De eerste kolonisten waren eveneens Fransen. In 1833 bezet Groot-Brittannië de eilanden en begint de Engelse kolonisering. Argentinië roept het internationaal recht in om de eilanden terug te krijgen. In 1965 spreken de Verenigde Naties zich trouwens uit voor een dekolonisering. Op 2 april 1982 valt de Argentijnse militaire junta de eilanden binnen. Veel Argentijnse jonge soldaten meenden oprecht dat zij die arme Falklanders moesten bevrijden van de wrede Britse onderdrukking. Meteen werden alle Engelstalige verkeersborden vervangen door Spaanstalige en moest eensklaps aan de rechterkant van de weg gereden worden, wat bij tegemoetkomend verkeer nogal eens tot komische situaties leidde. De toenmalige Britse regering-Thatcher, die in eigen land kampte met een zware economische crisis, reageerde prompt en stuurde oorlogsbodems. Na 74 dagen oorlog heroverden de Britten op 14 juni -toen de Argentijnen capituleerden- de eilanden. Aan Argentijnse kant sneuvelden 649 militairen, de Britten verloren 225 soldaten. Sindsdien worden de Brits-patriottische Falklands gepamperd door Londen. “Het is spijtig dat het zo moest gaan, maar de oorlog was het beste wat de Falklands kon overkomen”, luidt de volkswijsheid. In 2012 laaide de vlam nog even op ter gelegenheid van de dertigste verjaardag van de oorlog. Prins William voegde zich toen bij de Britse strijdkrachten op de eilandengroep en de Argentijnen beschouwden dat als provocatie. Maar de diepere reden was dat twee jaar eerder een Brits oliebedrijf de bouw van een boorplatform in de buurt van de Falklands aankondigde. Die plannen zijn ondertussen verdaagd tot 2020, deels ook omwille van de lage ruwe olieprijs. Sinds de oorlog zijn er permanent zo’n 1.200 Britse militairen gestationeerd in de Falklands. Die huizen in één grote basis, Mount Pleasant. De voorzieningen daar zijn zo compleet dat de eilanders zelden militairen te zien krijgen.

Enkele straten aan zee

Stanley is het etiket hoofdstad uiteraard onwaardig. Het is een uitgebouwd dorp, een aangeharkt plaatsje zonder verkeerslichten, hoogbouw, bankautomaat of files. Er zijn twee restaurants die naam waardig en evenveel hotels, al wordt er deftig bijgebouwd en hoopt men de nodige fondsen te vergaren om een nieuw museum te bouwen. “Ik zal jullie vooral vertellen wat jullie nog niet weten”, zegt Ken bij wijze van begroeting. In zijn Land Rover Defender, deze in de kleur racing green, verdient hij een cent bij door internationale bezoekers rond te rijden langs de belangrijkste locaties van de Falkland-oorlog. Onderweg maakt hij ons attent op de vuurrode bordjes die aanduiden dat dit nog een actieve landmijnenzone is en dus verboden te betreden. “We hebben er al zo’n tienduizend opgeruimd”, zegt Ken. “Maar we vermoeden dat er nog duizenden onder de grond steken. Die zones zijn weliswaar in kaart gebracht, maar de opruiming is nog niet voltooid.” Vanuit de Britse landingsplek Fitzroy, een u-vormige baai waar we leren dat sinds de bevrijding 14 juni hier Memorial Day is, vorderen we steeds zuidelijker. Ook voorzien in de tour is het bezoek aan de enige Argentijnse begraafplaats op het eiland. Net voor het gehucht Goose Green bevindt zich, wat verstopt van de hoofdweg, dit militaire kerkhof, waar 230 lichamen eeuwige rust vinden. In tegenstelling tot de meeste militaire begraafplaatsen wereldwijd, ligt deze site er wat slordig bij. Graven zijn beschadigd, het monument gedeukt, het hek al een tijd niet herschilderd. Via een uitgestrekte noordelijke lus langs Blue Beach Cemetery in San Carlos en het gehucht Douglas bollen we laatnamiddag terug naar Stanley. Onderweg trekken veelkleurige wolkenlagen gestuwd door rukwinden over het landschap, een sfeer die ook wat het wisselvallige weer betreft doet denken aan Schotland, dat ongeveer op dezelfde breedtegraad ligt, zij het op het andere halfrond. Uitgestrekte, laaggelegen gele en groene toendra maakt hier de dienst uit. Mount Usborne, 705 meter hoog, de hoogste top op Oost-Falkland, waakt als een dominante vuurtoren. Tussen poelen en meertjes zijn er uitgestrekte velden met daarin zo’n 650.000 schapen. We ontmoeten ook amper ander verkeer: ’s avonds zullen er meer dan tweehonderd kilometer ‘dirty roads’ op de teller staan, maar we zijn geen vijf voertuigen gekruist.

Landen in de wei

Een rode Islander propeller met opschrift FIGAS (Falkland Islands Government Air Services) brengt ons van Stanley naar Bleaker Island. Dat doen we zonder paspoort- of veiligheidscontrole. FIGAS is een staatscarrier die fungeert als luchttaxi. Niet gratis, maar tegen een gemoedelijk prijsje om het lokale leven mobiel te houden. En om reizigers te vervoeren die zich enkele dagen op een van de dierenrijke eilanden willen afzonderen. Bleaker Island –pakweg tweeduizend hectare groot– is eigendom van de zeventiger Mike Rendell, in de jaren zeventig Brits marinier en hier blijven plakken. Mike was jarenlang hotelmanager in Stanley tot hij in 1999 Bleaker kocht. Sindsdien is hij duivel-doet-al van het eiland, waarop enkele cottages staan die alles tezamen plaats bieden aan twaalf reizigers. Zijn jarenlange ervaring in de gastvrijheidsindustrie en zijn passie voor de Falklands maken dat hij sinds 2014 voorzitter is van de Falkland Islands Tourist Board. Onderweg naar de lodge stoppen we bij een kolonie rotspinguïns – de grappigste pinguïnsoort, dankzij hun komieke stap. Hun naam danken ze aan het feit dat ze vanaf de ruige kust in zee springen. “De dieren zijn hier een enorme trekpleister”, zegt Mike. “Maar omdat onze eilanden erg geïsoleerd liggen, zal het hier nooit druk worden. Oké, jaarlijks strijken hier zestigduizend dagjesmensen neer, cruisegangers onderweg naar de Zuidpool of Zuid-Georgië, maar die zijn ook zo weer weg.”

Verlaten minicontinentje

Als afscheid aan deze aparte eilandengroep huren we een terreinwagen en bollen tot Cape Pembroke en Gypsy Cove. Op de afgelegen Falklandeilanden zijn mensenmassa’s en regeltjes heel ver weg, waardoor de dieren bijzonder dichtbij komen. Op het terras van het Waterfront Hotel drinken we nog een laatste Rock Hopper, het eerste lokale eilandbier. Gemaakt in een garage in bijberoep, en gepromoot als ‘A cheeky penguin full with character’. In een deugddoend zonnetje  doorbladeren we Penguin News: de enige krant van de Falklands, een wekelijkse uitgave op A4 sinds 1979, the best little newspaper in the world. Op de afrastering tegenover ons kijken we een carcara, een valkachtig beest, recht in de ogen. En hij kijkt terug naar ons. Dat is de bekoring van de Falklands.

Robrecht Willaert & Gerrit Op de Beeck

 

Praktisch:

De Falklands-archipel bevindt 350 kilometer ten oosten van het Zuid-Amerikaanse continent. Het bestaat uit twee grote eilanden (en 750 kleintjes die niet bewoond zijn) die men West- en Oost-Falklands noemt. Op dit laatste situeert zich de hoofdstad Stanley. De grote militaire basis Mount Pleasant, die ook gebruik wordt als civiele luchthaven, bevindt zich hier ook. De totale landoppervlakte bedraagt 12.173 vierkante kilometer, pakweg de grootte van Vlaanderen.

In principe is er één vlucht per week, op zaterdag vanuit de Chileense hoofdstad Santiago met Latam. Tickets zijn duur en men moet lang op voorhand reserveren. De vlucht maakt een technische (en ook politieke) stop in Punta Arenas. Er wordt al jaren gepraat over extra vluchtcapaciteit.

Travel Magazine reisde met de logistieke steun van Sudamerica Tours, Latam en Alitalia.

 

Comments