Bestemmingen

Aran Islands: naar het randje van de rand van Europa

Acht minuten, dat is de tijd die het schroefvliegtuig type Islander nodig heeft om ons van Connemara Airport naar Inis Meáin te brengen. “Please meet the customs officers”, zegt men daar, het dagelijkse grapje van de twee werklui die op de lokale airport de dienst uitmaken. Dat je hier zelfs geen veiligheidscontrole passeert, laat staan over een instapkaart beschikt, maakt de grap alleen maar beter. Inis Meáin is het middelste van de drie Araneilanden (IersOileáin Árann), stulpjes van kalksteen in de monding van de Baai van Galway in Ierland. De inwoners op de drie eilanden leven van oudsher van de visserij, maar ook zomertoerisme is heden ten dage een belangrijke bron van inkomsten. Omdat de eilanden eeuwenlang verstoken zijn geweest van moderne invloeden, vormen ze nog steeds een bolwerk van traditionele Ierse cultuur.

Vergeten rotsen

De eilanden vallen binnen de Gaeltacht, het gebied waar de omgangstaal het Iers is, een Keltische taal. De bewoners spreken allen echter ook Engels… als het moet. Echter met zoveel haar op dat het niet altijd duidelijk is welke taal ze nu exact spreken. Inis Meáin (Engels: Inishmaan, letterlijk het middelste eiland) is niet het kleinste eiland maar heeft wel het geringste aantal inwoners, 170 om juist te zijn. Het is ook het minst op toeristen georiënteerd, met amper vijfduizend bezoekers per jaar. En net hier dan bouwden Marie-Thérèse en Ruairí hun levenswerk. Ruairí is hier geboren. Na vijftien jaar als chef de wereld rondgereisd te hebben, streek hij terug op zijn geboortegrond neer. Partner Marie-Thérèse, die een loopbaan als modedesigner achter de rug had, volgde. “Omdat je hier met alleen een restaurant niet kan overleven, besloten we ook enkele kamers te bouwen”, vertelt Ruairí. “Maar dat het zo’n succes zou worden, hadden we niet verwacht. Momenteel is de helft van de capaciteit een jaar op voorhand uitverkocht, omdat gasten die uitchecken meteen hun reservatie voor het volgend jaar maken. En wanneer we de resterende capaciteit online zetten, is na een week ons gans jaar uitverkocht. Een luxeprobleem, ik weet het. Maar soms is het echt vervelend zoveel mensen te moeten teleurstellen. Ik steek veel tijd per jaar in ‘nee’ zeggen (lacht).”

Het uitgepuurde Inis Meáin – het restaurant heeft dezelfde naam als het eiland – opende de deuren in 2007. De oom van het koppel, een architect, had een waanzinnig mooi gebouw ontworpen: half Italiaanse agriturismo, half Afrikaanse safarilodge. De reiservaring van Ruairí en Marie-Thérèse zorgde voor de final touch. Zeer eenvoudig: less is more. Ruwe materialen, zachte kleuren en vooral veel licht en ruimte. Intelligente eenvoud dus. De media deed de rest. In geen tijd werd dit afgelegen hoekje ontdekt door allerlei reis- en designbladen, met het bekende sneeuwbaleffect tot gevolg. Plots hingen New York, Tokio en Johannesburg aan de telefoon. Het onnoemelijke Inis Meáin (dat geen buitenlander correct kan uitspreken, zelfs niet wanneer die gedronken heeft) werd plots een bestemming, a place to be. “De helft van onze gasten zijn internationale reizigers die echt van ver komen”, lacht Marie-Thérèse. “En hoe zeer ze ook de isolatie en afzondering opzoeken, ze begrijpen dan niet altijd dat omwille van het slechte weer een vlucht geschrapt wordt of een ferry niet uitvaart. Maar soit, we vinden het uiteraard super dat we onze droom wisten te realiseren.”

Gesofisticeerde eenvoud

Net zoals alle low-cost carriers Ryanair proberen te kopiëren, zouden alle managers van boetiekhotels hier in de leer moeten komen. Inis Meáin is zo eenvoudig maar doordacht dat het alleen maar respect afdwingt en je inderdaad blij moet zijn hier een suite te kunnen krijgen. Schaarste is de beste marketing. De vijf suites –hier voor één nacht verblijven is onmogelijk, twee is een minimum– hebben elk een panoramisch venster, twee fietsen, een privé-terrasje en vishengels. Er zijn geen tv’s, noch telefoons. Wie een suite heeft kunnen bemachtigen, beschikt automatisch ook over een tafel in het restaurant, waar Ruairí een viervangenmenu kookt met wat het eiland biedt. De escorterende wijnkaart is verrassend werelds en van zeer behoorlijk niveau. ‘s Morgens wordt het ontbijt op bed (lees: aan de voordeur) geserveerd, ‘s middags krijg je een picknick toegestopt waarin onder meer een thermos verse soep zit en lauwe focaccia. Waar je de hemelse gerechten –verpakt in een rugzakje– opeet, is compleet naar eigen goeddunken. Wanneer wij ‘s avonds voor het diner aanschuiven, zitten we naast een opgejaagde CEO die zegt alleen hier tot rust te komen maar ondertussen wel twee iPhones rondzeult. Een tafeltje verder resideren twee Koreanen op huwelijksreis in Europa en aan de andere kant een vierkoppig vrouwengezelschap uit Dublin dat er even tussenuit wou. Jaarlijkse traditie, zo blijkt. Vijf suites, tien gasten, twaalf personeelsleden. Wat een sfeer. Terwijl buiten de zon roodoranje kleurt, wordt een unieke Ierse whiskey geoffreerd, even eigenzinnig als de gin van het aperitief en het totale project.

Ingetogen exclusiviteit en één zotte koe

De volgende ochtend gaan we op stap met Michael. Het gezicht komt ons bekend voor. Inderdaad, de man werkt op de lokale luchthaven. Maar met twee vluchten per dag van maximum negen passagiers is er ruimte voor een bijbaantje. Gids dus. We laten zijn verroeste minibus voor wat ze is en beklimmen de hotelfietsen. “Nee, we hebben hier geen politie, legt Michael uit. Als we die nodig zouden hebben, moeten ze van het buureiland komen. Eer ze hier zijn, is alles opgelost. En als er een medisch noodgeval is, stuurt men de helikopter.” We fietsen langs klippen en met gestapeld kalksteen ommuurde wegen. Omdat er slechts twintig auto’s op het eiland zijn, mogen we in het midden van de weg rijden. Een uitbrekende koe is hier trouwens een groter gevaar dan een vierwieler, mogen we even later aan den lijve ondervinden. “Ach, dit eiland is slechts acht kilometer lang”, merkt Michael op terwijl we naar de burcht klimmen. “Ver zal ze niet geraken.” ‘s Middags drinken we ‘a pint’ op het terras van de pub en genieten van de rugzakhap. ‘s Namiddags wandelen we langs de kerk tot de cliffs, en laatnamiddag bestellen we een gin-tonic bij Marie-Thérèse in de strakke lounge van Inis Meáin. Wanneer we ’s avonds voor de tweede maal genieten van de kookkunsten van Ruairí, voelen we ons nog meer ingeleefd in de escapism experience dan gisteren. We hebben de juiste modus bereikt: één met het geheel. Doch we zijn te veel islomaan om het buureiland niet te verkennen.

Schoonheid zonder wegwijzers

De volgende ochtend trekken we uit nieuwsgierigheid naar het grootste van de drie Aran Islands. De grote broer heet Inishmore en trekt jaarlijks 250.000 bezoekers, 50 maal meer dan Inis Meáin. Hier resideren 1200 inwoners en Cill Rónáin (Kilronan) is het grootste dorp op het eiland. Hier legt ook de veerboot van het vasteland aan. We worden opgewacht door Cyril, met een gelijkaardig verhaal als Michael want ook hij werkt op de luchthaven, maar nog een dimensie straffer. Cyril is naast gids ook kunstenaar, schilder, boer en vervangend postbode. Inishmore is dertien kilometer lang en een zeer populaire bestemming voor dagjesmensen. Op het eiland bevinden zich verschillende forten uit de ijzertijd, waaronder Dún Aonghasa en Dún Dúchathair (Dún is het Ierse woord voor fort) en omdat het eiland een rol gespeeld heeft in de verspreiding van het vroege christendom in Ierland, zijn over het eiland ruïnes te vinden van verschillende kerkjes, waarvan het oudste uit de vijfde eeuw stamt. Maar dé blikvanger zijn Dun Aonghasa en Poll na bPeist, spectaculaire klifformaties die onafgebroken gegeseld worden door het onstuimige water van de Atlantische Oceaan. “Uiteraard zijn deze indrukwekkender dan de Cliffs of Moher”, zegt Cyril ongezouten. “Maar die hebben het voordeel dat ze zich op het vasteland bevinden en dus eenvoudig te bereiken zijn.” Terwijl we steeds verder afzakken tot het meest westelijke punt van de Araneilanden, komen we dieper onder de indruk van dit mozaïeklandschap, een doolhof van stenen muurtjes, aangelegd om een kostbare laag aarde te beschermen tegen sterke winden en hevige regenbuien.  “Miljoenen jaren geleden maakten deze drie eilanden deel uit van het Ierse vasteland”, zegt Cyril terwijl we in een klein koffiehuisje gerund door drie vrouwen een prima stukje cake eten. Dat de locals graag een graantje meepikken van de nieuwe interesse in hun harde biotoop is geen geheim. Sommigen proberen ook hun oude stijl en levenswijze te integreren in het moderne toerisme, zo bewijzen de enkele jaunting cars, kleine open koetsen, telkens getrokken door één paard. Dat ons paard Molly heet, naar de wereldberoemde ballade Molly Malone, is een leuk detail.

De laatste ferry

Het eiland krijgt zijn haven én leven terug wanneer laatnamiddag de ferry’s met hun ééndagspassagiers vertrokken zijn.  Die avonds kijken we eerst naar een rugbyfinale in de pub en gaan we daarna uit eten, in restaurant Bayview. Alhoewel het slechts een steenworp lopen is van ons hotel, blijkt de afstand genoeg om ons te laten rillen van een ijskoude Atlantische wind die na een reis van duizenden kilometers over het eiland scheurt. Een Guinness brengt ons terug tot de warme gezelligheid en een dozijn oesters doen de rest. Nu begrijpen we ook waarom kunstenaar en schrijver Robert Flaherty –een Amerikaan van Ierse oorsprong- hier graag verbleef, gefascineerd raakte en in 1934 de bekende film ‘Man of Aran’ maakte, een imposant beeldrelaas van het leven zoals het op de eilanden werd geleid. Opmerkelijk daarbij is dat hij niemand liet praten in zijn film. De aangrijpende beelden maakten woorden immers overbodig, vond hij. En hij niet alleen.

Robrecht Willaert & Gerrit Op de Beeck

 

“… De Aran Islands zijn niet groter dan een paar vierkante kilometer en vormen dus maar een stip op de landkaart, maar de indruk die ze nalaten, is immens groot…”

Praktisch:

A JOURNEY reisde in samenwerking met BelcoTravel & Tours en de Ierse Toeristische Dienst. www.belcotravel.com, www.tourismireland.com

We verbleven in Inis Meáin Restaurant & Suites (www.inismeain.com), An Dun Inis Meáin B&B en Pier House (www.pierhousearan.com) op Inishmore.

In Galway is The Twelve Hotel in buitenwijk Bearna Village een aanrader.

Hoe geraak je er? Vliegen naar Dublin (met Aer Lingus of Ryanair), dan met een huurwagen tot Galway. In theorie geraak je tijdens de zomerperiode in één dag van Brussel tot op de eilanden. Maar rustiger is het te overnachten rond Galway en de volgende ochtend door te reizen. Hetzelfde geldt voor de terugreis.

Voor de transfer tussen de eilanden rekenden we op Aer Arann (www.aerarannislands.ie) dat met Islander props (één piloot) de verbindingen onderhoudt. Let wel: het vluchtschema is onderhevig aan het weer, dat hier zeer grillig kan zijn.

 

 

Comments